Het meeste bekende lied van Daniël Lohues is vermoedelijk Op fietse. Het werd geschreven in de tijd dat Lohues nog deel uitmaakte van Skik en kreeg in 1997 een plek op het tweede album van de band, Niks is zoas ‘t lek. Later leidde het nummer tot een fietsroute door Zuidoost-Drenthe. De route is van harte aan te raden op een nazomerse dag.
Minder bekend is dat Lohues twee jaar eerder ook al een fietslied schreef. Ik moest eraan denken toen ik voor de zoveelste keer langs het Oranjekanaal fietste en zag dat er nieuwe ‘markeringspalen’ zijn geplaatst.
Het lied heet Betonpaolties en staat op de debuutplaat van Skik uit 1995. Lohues fietste destijds, ook vermoedelijk, regelmatig vanuit Emmen langs het Oranjekanaal naar Erica. Ze bennen nog steeds kut, die paolties, niet en alleen ‘s avonds.
De vraag is dan ook nog steeds: ‘Wie hef die dingen daor neer zet, wat hef dat veur ’n nut’.
Als een van de genodigden woonde ik vrijdag in Amen een avond bij ter viering van het zilveren jubileum van De Literaire Hemel. Omdat ik wat verlaat was, belandde ik op een van de achterste rijen van het afgeladen café De Amer.
Dat had erger gekund, al kent De Amer nauwelijks echt slechte plaatsen. Schrijver, dichter en criticus Rob Schouten zat op de achterste rij. Evelien Huizinga en Anneke de Haas van Stichting Literaire Activiteiten in Drenthe (SLAID) zaten voor mij. Zelf zat ik tussen Jolet Dingen, ook van SLAID, en burgemeester Anno Wietze Hiemstra van de gemeente Aa en Hunze.
Wie waren er nog meer? Ik ga hier niet iedereen noemen, maar wel cultuurgedeputeerde Yvonne Turenhout, provinciaal cultuurambtenaar Marielle Kooi, bestuurslid Marchien Brons van Het Drentse Boek en haar partner Wytse Bouma, Jan Pijpker, Mirjam Pauwels, Ineke Schepers, Roelof Hoekman, Nicolette Leenstra, Marga Kool en Klaas Koops. Kortom, iedereen die er echt toe doet in het literaire landschap van Drenthe was er.
Vermoedelijk zagen alle aanwezigen hoe Eric van Oosterhout, voorzitter van Stichting Literaire Activiteiten in Drenthe, aan het begin van de avond de zaal toesprak. Hij benoemde De Literaire Hemel als heel bijzonder, prees de drijvende krachten Annette Timmer en Albert Haar uitvoerig en liet ook mijn naam in positieve zin vallen – als interviewer doe ik op mijn manier mijn best.
Na het praatje van Van Oosterhout werden er cadeaus overhandigd. Om te beginnen ontving Henk van Nieuwpoort, bestuurslid van De Amer – het cultuurcafé bestaat 35 jaar – een rijmprent met een tekst van Rob Boudestein: ‘Amen, ach wanneer het meezat,/ bloeide er het fluitenkruid./ Maar als Amen geen café had,/ reed je zo weer Amen uit.’
Op zijn beurt gaf Van Nieuwpoort een cadeau aan de mensen van De Literaire Hemel. Het werd uitgepakt door Annette Timmer, die kort daarna een collage in de lucht hield met foto’s van verschillende bijeenkomsten. Ook mijn kop prijkte op een aantal foto’s, zag ik vanachter uit de zaal. Later op de avond zag ik ook nog een foto van een interview dat ik met Jan Veenstra had afgenomen bij de presentatie van zijn roman De vaalrode vlieger.
Eigenlijk begon de jubileumavond daarna pas echt. Eerst met een optreden van Ballads2 – Margreet Puite (piano) en Petra Herbrink‑Vosman (zang) – gecombineerd met voordrachten van Suze Sanders. Laatstgenoemde had ook een cadeau meegebracht: een gelegenheidsdicht opgedragen aan Annette Timmer, eindigend met de regels: ‘En ieder die ooit dit café binnengaat,/ weet dat er een Hemel op aarde bestaat.’
Daarna werd Auke Hulst geïnterviewd, op papier over zijn roman De tandenjager, maar misschien ging het nog wel meer over zijn schrijverscarrière. Afgaand op de literaire productie van Hulst gaat het daar heel goed mee. Volgend jaar verschijnt alweer een nieuwe roman, Duino, over een schrijver die afreist naar de gelijknamige Italiaanse badplaats om onderzoek te doen naar leven en werk van Rainer Maria Rilke. Maar vanzelf gaat het allemaal niet.
Aan het begin van de pauze vertelde Rob Schouten dat hij werkt aan een roman die voor een belangrijk deel in Groningen speelt en is gebaseerd op zijn jonge jaren als deugniet – het streven is publicatie vlak voor de zomer. Aan het einde van de pauze vertelde Auke Hulst dat ook Drenthe in Duino voorkomt. Daar keek ik vreemd van op, want bij mijn weten heeft Rilke deze streken nooit bezocht. De hoofdpersoon van Duino, Rutger Peek, misschien wel.
Het slot van de avond bestond, uiteraard, uit applaus, tevredenheid en afscheid. Maar voor het zover was, zagen we een gelegenheidsprogramma van Nynke de Jong en Esther Groenenberg, met daarin veel aandacht voor hun inspiratiebronnen: Willem Wilmink, Hans Lodeizen, Rutger Kopland, Daniël Lohues, Herman Finkers, Fernando Pessoa en Toon Hermans.
Pessoa en Hermans op een avond in Amen, dat kan alleen in De Literaire Hemel.
Bericht van Herman Roozen. De voormalig Striptekenaar des Vaderlands vraagt aandacht voor de papierkunst van illustratief ontwerper en papier-ingenieur Maarten Janssens. Te zien tot en met 20 december in een van de zalen in Museum Thijnhof te Coevorden. Op 27 september komt Jansses over zijn werk (zie foto hierboven) vertellen in het Cultuur Café in Museum Thijnhof. Aanvang 15.00 uur.
Citaat: ‘Zijn strijd tegen afvlakking, vergrijzing, indommeling en algehele leegte heeft in de loop der jaren een bonte collectie ‘papertoys’ opgeleverd. Stuk voor stuk een genot om van alle kanten te bekijken, maar nog leuker om zelf te maken. Menig model is gratis te downloaden. In het museum zijn bouwplaten te koop voor ‘ijsjes prijsjes’, zoals Maarten het zelf zegt.”
In een moeite door: vorige maand verspreidde ik een ‘open call’ van K&C voor kunstenaars die een bijdrage willen leveren aan het ‘Schatten in Drenthe’. Of meer precies en nog formeler geformuleerd: die ‘een dialoog willen aangaan’ met de kunst in het Museum van Papierknipkunst in Westerbork.
Nu mag ik op voorspraak van Helen Abma van datzelfde K&C melden dat Teodora Ionescu, Ina Fekken, Pauline Kick, Monique Temmen en Susanne Hartmans zijn geselecteerd om zich te laten inspireren door de kunst van het knippen en snijden.
Hoe een en ander eruit kan zien, toont bijgevoegde foto met een werk van Tienke Zijlstra. Deze kunstenaar verbleef al eerder in het museum en presenteert op 1 oktober een groot werk dat ze na haar bezoek maakte. Twee dagen later, 3 oktober, geeft Zijlstra van 11.00 tot 16.00 workshop getiteld ‘Cut your own paper story’.
Twee keer goed nieuws voor liefhebbers van muziek en M. Vasalis. Kort achter elkaar vinden concerten plaats met aandacht voor de poëzie van Margaretha Droogleever Fortuyn–Leenmans (1909-1998)
Mezzosopraan Carina Vinke en cellospeler Marit Broekroelofs bijten het spits af op 25 september in tuin De Hellehof in Terheijl, bij Nietap. Citaat uit een persbericht: “Rond de gedichten klinkt bijpassende muziek: van de verstilde klanken van Henry Purcell en Jenkins tot muziek van Bach en De Falla.”
Plus: “Bijzonder is de nieuwe compositie van de jonge componiste Channe Visscher. Zij gaf Sotto Voce van Vasalis gloednieuwe noten. Een tekst die al een eigen wereld oproept, krijgt daarmee een heel nieuwe muzikale gedaante.”
Kaarten voor Vinke en Marit Broekroelofs zijn verkrijgbaar via deze link
Op 26 en 27 september worden acht gedichten van Vasalis vertolkt tijdens concerten in respectievelijk de kerk van Peize en het vrijmetselaarsgebouw aan de Turfsingel 46 in Groningen. Uitvoerende musici zijn het HoraS Vrouwenkoor onder leiding van Wim van der Laan, Merel Wentink (alt), Vic Diederen (bariton), Annemieke IJzerman (harp) en Wim Dirriwachter (piano)
Ook bij deze twee concerten is sprake van een nieuwe compositie. Voornoemde Dirriwachter schreef muziek bij het verhaal van Heer Halewijn: ‘Heer Halewyn zong een liedekijn/ Al die dat hoorde wou bi hem zijn/ En dat vernam een koningskind, Die was zoo schoon en zoo bemind’. Kaarten zijn vooraf te krijgen via vasalis.peize@gmail.com of vasalis.groningen@gmail.com.
De Literaire Hemel, podium voor het betere boek in Drenthe, bestaat 25 jaar. Het zilveren jubileum wordt vrijdag 18 september afgetrapt in café De Amer te Amen dat – jazeker – 35 jaar bestaat. Citaat uit een persbericht:
“De verbinding van de Literaire Hemel met De Amer begon in 2001 toen eigenaar Ab Sligter en zijn vrouw Ineke Schepers een nieuwe activiteit in het café wilden en een aantal boekenliefhebbers een passende locatie voor een maandelijkse literaire avond zocht. Albert Haar, destijds één van de initiatiefnemers en nog altijd betrokken, bedacht De Literaire Hemel: een naam die nog steeds tot de verbeelding spreekt.
Elke seizoen telt zeven (het heilige getal) bijeenkomsten, op de 2e vrijdag van de maand. Met als vaste opzet drie gasten: een schrijver van Nederlandse literatuur, een schrijver met een regionale link (de taal of het onderwerp) en een gast die vertelt over een overleden schrijver in het onderdeel Hemel of Hel. Instrumentale livemuziek draagt bij aan de ontspannen sfeer van de bijeenkomsten.”
De eerste Literaire Hemel ging in oktober 2001 open. Interviewers Annette Timmer en Albert Haar ontvingen destijds op de deel van het café schrijver Edward van de Vendel, die toen in Zuidlaren woonde, en dichter Suze Sanders.
Inmiddels is De Literaire Hemel een begrip, tot ver buiten de provinciegrenzen. in de loop der jaren waren meer dan 300 auteurs te gast. “Alle schrijvers kennen deze plek, want je bent er als schrijver óf ooit uitgenodigd, óf je zou er graag uitgenodigd willen worden,” schreef auteur Gerwin van der Werf afgelopen december in Trouw.
Vrijdagavond 18 september komen er schrijvers en muzikanten die al eens eerder in De Literaire Hemel waren. Annette Timmer, programmeur en vaste presentator van het eerste uur, interviewt Auke Hulst over zijn succesvolle roman Tandenjager. Suze Sanders en Ballads2 (Margreet Puite en Petra Herbrink-Vosman) brengen liedjes en poëzie. En Esther Groenenberg en Nynke de Jong presenteren een speciaal voor deze gelegenheid samengesteld muzikaal-literair programma.”
De organisatie eldt dat de kaarten voor de jubileumbijeenkomst inmiddels zijn uitverkocht. Een nieuwe kans op een plek in ‘De Hemel’ doet zich voor op vrijdag 9 oktober. Dan zijn Gerard van Emmerik (jeugdroman Jij blijft), specialist literair leesgedrag Jeroen Dera (De spagaat) en Sanne van Heijst (over Els Pelgrom) te gast.
In november volgt een bijeenkomsten met Rik Zaal (De twee Johanna’s), Aart Homoet (biograaf boer Koekoek) en Niels Bokhove (biograaf Halbo C. Kool). In december zijn Connie Palmen (Johnny Walker), Theo Meder (Wieg in het water) en Mineke de Vries (over Frank Martinus Arion) te gast. Kaartverkoop via www.literairehemel.nl
Op bovenstaande foto uit 2013 vermaakt interviewer Albert Haar zich met Auke Hulst, toen schrijver van De kinderen van het Ruige Land.
Tijdens het Uitfestival van Emmen, afgelopen zaterdag, ging het uiteraard veel over de strop van het Atlas Theater. Over de gesprongen waterleiding die ertoe heeft geleid dat de grote zaal de komende weken niet gebruikt kan worden. Over wat dat voor gevolgen heeft voor de viering van het tienjarig bestaan. Over hoe ontdaan het theaterpersoneel is.
Het is niet bevestigd en de theaterdirectie wil vooralsnog niet meer kwijt dan een verklaring op de website, maar uit betrouwbare bron vernam ik dat de oorzaak van de overlast bovenop het dak van het theater wordt gezocht. Er zou iets mis zijn geweest met de besproeiingsinstallatie voor het sedum, waarna water via allerlei ruimtes, waaronder de grote zaal, tot in de kelder terecht is gekomen.
Het goede van zo’n ramp is dat het mensen bij elkaar brengt en een gesprek kan ontstaan, iets wat de culturele sector altijd graag faciliteert. Het goede is ook dat het extra belangstelling opwekt. Voor de optredens die zaterdag verplaatst moesten worden, bijvoorbeeld. En zelfs voor de route met billboards waarop artiesten verklaren dat ze het theater al tien jaar als hun huiskamer zien. Het roept de vraag op of ze bereid zijn hun huiskamer te dweilen.
Ik praat hier alleen voor mijzelf – wat ik kan vertellen is dat ik zaterdag onder ideale weersomstandigheden een wandeling maakte over het uitgestrekte festivalterrein: via het Rensenpark en de Hoofdstraat naar het Marktplein en over het Raadshuisplein het Atlas Theater in en weer uit om op grondgebied van Wildlands te luisteren naar een openluchtconcert van het Drents Jeugd Orkest.
En weer terug, langs de alom aanwezige shantykoren naar onder meer het kraampje van Stichting Taalpodium Emmen. Daar werd ik niet alleen gewezen op een avond met optredens van Levi Weemoedt, Femke Torensma en Herman Sandman, komende zondag, maar ook op het naderende Nederlands Kampioenschap Light Verse én uitgedaagd een rebus in te vullen met het vooruitzicht op het winnen van een boekenbon. Niets gewonnen, helaas.
Daarna de verrassend goed gevulde Grote Kerk in, om te luisteren naar popkoor MusicaE – het was zaterdag ook Open Monumentendag. Aansluitend de Hoofdstraat weer over, een blik werpend op de toekomstige gebouwen van het nieuwe centrum voor beeldende kunst DIEP, dat nog steeds niet klaar is. Het Rensenpark weer in, langs het amfitheatertje waar ik met enige verbazing heb staan luisteren naar een jonge gitarist(e) die heel vervaarlijk Fuck you, I won’t do what you tell me stond te briesen.
Enige tijd hield ik stil bij het voormalige giraffenverblijf in het park om mij op de hoogte te stellen van de vorderingen die Filmhuis Emmen boekt. Er wordt daar gewerkt aan een filmzaal met plek voor zo’n tachtig mensen, ook geschikt voor andere bijeenkomsten. Nu de stoeltjestribune mogelijk is geworden dankzij crowdfunding, wordt de komende periode druk gezaagd, getimmerd en geverfd om de zaal in november af te krijgen. Filmhuis Emmen bestaat dan dertig jaar.
Ik vervolgde mijn weg richting de parkuitgang aan de Minister Kanstraat, maar bezocht eerst nog het voormalige olifantenverblijf, waar ik een graffiti‑artiest genaamd Steef Offerhaus aantrof terwijl hij een wandschildering aan het maken was, en wierp tot slot een blik op het grasveld voor het onderkomen dat sinds dit jaar dient als een van de uitvalsbasissen van theater- en inmiddels ook dansgezelschap Garage TDI.
Het moet gezegd: de mensen van Garage TDI hadden een zeer fraai festival binnen een festival gerealiseerd. Een kinderplein volgens het programma, maar in werkelijkheid was het een samenvatting van het bejubelde Art of Wonder‑festival dat jaarlijks in Assen wordt gehouden. Compleet met workshops, kleine voorstellingen, straattheateracts, recyclingkunst en, ter verhoging van de Pisa-score, prentenboekvoorleesmomenten met niemand minder dan Oma Boekie.
Tot en met 25 oktober doen liefhebbers van beeldende kunst er goed aan De Onlanden te bezoeken. Daar, in het moerasgebied van Noord‑Drenthe, op de stoep van de stad Groningen, hebben de mensen van Into Nature een bijzondere tentoonstelling mogelijk gemaakt: Haunted by Waters. Ik schreef er hier en daar eerder over.
In mijn hoedanigheid als inspecteur van kunst- en cultuurevenementen in Drenthe (en daarbuiten) bezocht ik De Onlanden afgelopen zaterdag voor de tweede keer. Heel druk was het niet. Misschien kwam dat doordat in Eelde het jaarlijkse corso gaande was. Wat is het toch heerlijk om in een niche te opereren.
Tegelijkertijd ben ik van mening dat zoveel mogelijk mensen kennis zouden moeten nemen van Haunted by Waters. Ik schrijf dit omdat ik zaterdag een praatje maakte met een stel uit Nijmegen, dat vanaf een camping in Wehe‑den‑Horn Noord‑Nederland probeerde te verkennen. “Wat vinden jullie ervan?”, wilde ik weten. “Het is nogal wisselend”, antwoordde de man van het stel, die vertelde dat hij eerder de editie van Into Nature in het Bargerveen had bezocht. Hij zei ook: “Ik heb het niet zo op conceptuele kunst.”
Vermoedelijk ongewild veranderde de man met zijn opmerking mijn standby‑stand over beeldende kunst van passief in verdedigend. “Ik heb het wél op conceptuele kunst”, reageerde ik. “Waar ik moeite mee heb, is conceptuele kunst waarbij het idee ondergeschikt wordt gemaakt aan het beeld.” Dat gezegd hebbende, keek ik de man heel tevreden aan.
Hieronder drie foto’s van beelden die een reis naar De Onlanden volgens mij rechtvaardigen. Boven staat een foto van het beeld Su mul ri. Emerging liquid trajectories van Junghun Kim.
Poly-nation (2026) Manjot Kaur – fragment van een tweedelig werk, schilderijen (binnen) en een buiteninstallatie.
A voice and nothing more (2026) Priscilla Hernandez – still uit een video.
The energy of the offering (2026) Manuel Chavajay – fragment van een ’tempel’.
Niet regelmatig, want regelmaat bestaat niet in een mensenleven, maar wel heel vaak bedenk ik bij het lezen van De Parelduiker hoe geweldig het is dat er zoiets bestaat als De Parelduiker. Zo ook bij lezing van het derde nummer van het literair‑historische tijdschrift van 2026, de 31ste jaargang alweer.
Dit keer is veel ruimte gemaakt voor Willem van Toorn (1935–2024), een schrijver en dichter voor wie ik een zwak ontwikkelde toen hij een bijdrage leverde aan de essayreeks Het verdriet van Drenthe, een initiatief van de in 2025 overleden schrijver en aanjager Jan Veenstra, voor wie ik ook een zwak heb ontwikkeld.
Vroeg of laat ga ik aan mijn zwakheden ten onder.
Van Toorn wordt in De Parelduiker herdacht middels een stuk waarin K. Michel een aanloop neemt naar een (nog) niet verschenen boek van Van Toorn met verhalen over ‘ontmoetingen’. Daarna volgen beschrijvingen van die ontmoetingen. Ze lezen heerlijk, vooral voor de geïnteresseerde in nauwelijks bekend geworden of gebleven cultuurdragers als DuoDuo, Franco Loi, Jevgeni Jevtoesjensko, Péter Kántor en Bob den Uyl.
Op de cover van De Parelduiker prijkt een fraai portret uit 1930 van Dinah Nelken. Van haar had ik nog nooit gehoord, tot Marika Keblusek besloot een stuk te schrijven over deze Berlijnse schrijfster van de liefdesroman‑in‑brieven Ich an Dich. Van Keblusek had ik wel gehoord, via haar strenge bijdragen over Duitstalige literatuur aan de podcast De Nieuwe Contrabas.
De Parelduiker bevat nog meer goede teksten, maar omdat onze tijd kostbaar is, volsta ik met te wijzen op twee recensies van boeken die ik overigens eerder hier onder de aandacht heb gebracht en waarvan de kwaliteit dit keer wordt bevestigd door Jan Paul Hinrichs, een medewerker die gespecialiseerd is in besprekingen van ‘publicaties van privé‑drukkers en marginale uitgevers’.
Hinrichs schrijft over de Kavafis‑vertaling van Hero Hokwerda onder meer dit: ‘Het is moeilijk voorstelbaar dat Kavafis’ kernoeuvre gezaghebbender kan worden gebracht dan hier is gebeurd. (…) Een groot compliment verdient ook de Historische Uitgeverij voor deze zorgvuldig uitgegeven boeken die menig groter uitgevershuis voor lange termijn het nakijken geven.’
In zijn bespreking van de biografie van Halbo C. Kool door Niels Bokhove staat het volgende: ‘De biografie heeft naast Kool een tweede held: Niels Bokhove, martelaar onder de biografen door een schijnbaar onaantrekkelijk onderwerp zo uitvoerig uit de doeken te doen. Alleen al het samenstellen van Kools duizelingwekkende bibliografie moet een half levenswerk zijn geweest.’
Fietsend vanuit Dalen richting Dalerpeel met als tussenbestemming Ane zag ik op de Berkmeerweg langs het kanaal van Coevorden naar Zwinderen een bermmonument. Bloemen, een perkje, een kandelaar en twee geborduurde egeltjes. Het monument was opgericht voor ‘Rinske’. Met bedrukt gemoed fietste ik verder.
Nog geen honderd meter verderop trof ik onder een boom een uil aan. Half op de weg, half in de berm. Jong, oud. Gewond, uitgeput of gewoon lui – ik kon het niet goed vaststellen. Ik ben niet thuis in de dierenwereld. Hij of zij zag er indrukwekkend uit, ook omdat ik niet eerder een uil van zo dichtbij had gezien, zelfs niet in de dierenentuin.
Toen ik naderbij kwam, probeerde de vogel te klapwieken, maar van de grond kwam hij niet. Wat te doen? Zonder ingrijpen zou de uil onder een voorbijrazende auto kunnen komen. Ik besloot de dierenambulance te bellen. Na een korte wachttijd, gevuld met een bandje met vogelgeluiden, kreeg ik een mevrouw aan de telefoon. Ze opereerde vanuit Almere.
“Heeft u een doos bij u?”, wilde de mevrouw weten. Ik antwoordde dat ik op de fiets was en dit keer geen doos bij me had. “Het is hier nogal afgelegen en verlaten”, voegde ik toe. Daarop besloot ze contact te leggen met een dierenambulance in de buurt. Met een beetje geluk was dat zo geregeld. Met een beetje pech niet.
Terwijl ik haar instructies opvolgde – vogel beschrijven, mogelijk letsel constateren, foto’s maken, locatie vaststellen – probeerde de uil zich te verplaatsen. Eerst verder het asfalt op, daarna terug de berm in. Ondertussen slaagde de mevrouw in Almere erin contact te leggen met een dierenambulance in de buurt. Die zou vlot ter plaatse kunnen zijn. De uil had zich inmiddels naar de rand van een lager gelegen sloot verplaatst. Wel zo veilig.
“Moet ik wachten?”, vroeg ik de mevrouw. Dat hoefde niet. “U kunt toch niets doen. Dank voor het melden”, antwoordde ze. “Jullie bedankt”, zei ik opgelucht. We leven in een geweldig land. Daarop vervolgde ik mijn weg. Ik had een vrije dag, ik was aan het fietsen.
Vlak voor bij de Veenschapsweg passeerde ik een paneel van Lost Wings, een organisatie die zich ten doel heeft gesteld de vliegtuigcrashes van de Tweede Wereldoorlog in kaart te brengen.
Ik was al in Ane toen ik op mijn telefoon zag dat een onbekende beller een voicemailbericht had achtergelaten: “Met René van de dierenambulance. Ik ben twee keer de Burgemeester Ten Holteweg afgereden, maar heb geen uil gezien. Dat bermmonument waarover u sprak, heb ik ook niet aangetroffen. Misschien kunt u mij terugbellen.” Er was sinds mijn melding bijna een uur voorbij gegaan.
René nam zijn telefoon meteen op. Dat hij aan de Berkmeerweg moest zijn, en dus niet aan de Burgemeester Ten Holteweg, had hij niet van de mevrouw in Almere begrepen. Nu was hij niet meer in de buurt, maar op weg naar een andere melding, helaas. “Ja, helaas”, beaamde ik. “We hebben ons best gedaan”, concudeerde René.
Later op de dag, veilig thuis, probeerde ik te achterhalen welk vliegtuig bij Dalerpeel was gecrasht. Het bleek de Fw 190A-7 Wnr. 340003 met herkenningsteken ‘Weiße 11’, behorend tot 1. Staffel, Jagdgeschwader 1, gevlogen door de uit Görlitz afkomstige Feldwebel Werner Dotzauer.
Het toestel was op 6 maart 1944 boven Drenthe geraakt door een Amerikaanse escortejager en daarna neergestort. Dotzauer was toen 23 jaar.
Ook zocht ik naar wat er op 31 januari 2022 met Rinske was gebeurd. Onder meer RTV Drenthe meldde die ochtend een eenzijdig ongeval: ‘Het slachtoffer reed over de Berkmeerweg en kwam rond kwart voor acht door nog onbekende oorzaak in een sloot naast de weg tot stilstand. Hierna vloog het voertuig direct in brand. Hulp mocht niet meer baten. De bestuurder overleed op de plaats van het ongeval.’ Rinske, uit Coevorden, was 22 jaar.
Er waren stukjes kibbeling van, ik meen, vishandel Ziegerink. Er waren borrelhapjes van de BikBar. Er werd gedronken. Er werd muziek gemaakt. Er werden toespraken gehouden. Er werd net gewerkt. Streekomroep ZO!34 was van de partij.
Met andere woorden: afgelopen vrijdag werd op het Marktplein in Emmen de recentelijk gerenoveerde muziekkoepel heropend. Onder druilerige omstandigheden, dat moet ook gezegd.
Formeel gebeurde het door de onthulling van een bordje waarop de geschiedenis van de koepel staat beschreven – wethouder Dewy Keen verzorgde deze plechtigheid door een rood doekje te verwijderen. Vervolgens kreeg Piet Naber van de Historische Vereniging Zuidoost‑Drenthe het woord om te vertellen over de moeizame aanloop naar de bouw van de koepel in de vorige eeuw.
Zo hoorden wij dat Emmen in de jaren dertig op zoek ging naar toeristische trekpleisters om meer ‘vreemdelingen’ naar Zuidoost‑Drenthe te lokken. De dierentuin was er nog niet, maar een plan voor een natuurbad was er wel. Om geld in te zamelen voor de bouw van een muziekkoepel besloot een speciale commissie een aantal concerten te organiseren, op verschillende locaties.
Die concerten – door harmonievereniging Euterpe, muziekvereniging Laus Deo en diverse koren – werden matig bezocht, waardoor de bouw met een substantieel gat in de begroting moest worden aanbesteed. Hoofdredacteur Ten Kate van de Emmer Courant, tevens bestuurslid de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer (VVV) die ijverde voor meer vreemdelingen, sprak er in een commentaar schande van:
“Het Emmer publiek is niet zo muzikaal als men wel eens wil doen voorkomen, of het is muzikaal uit op een koopje. Want het zo ijverige muziekkoepelcomité is nu zo zoetjesaan al een paar jaar doende om het toch niet zo geweldige bedrag voor een koepel bijeen te brengen, en nog altijd is het daarin niet geslaagd.”
Na een kort applaus en het heffen van glazen deelde Leonie Pluyter van de Stichting Muziekkoepel Emmen mee dat anno 2026 een ‘keienfonds’ is ingesteld om geld bijeen te brengen voor toekomstig onderhoud. Dat van die keien verwijst naar boeren die in de jaren dertig met zwerfkeien afkomstig van hun akkers het fundament onder de koepel hebben gelegd.
Ook maakte zij bekend dat er geen structurele programmering is. “De koepel is van ons allemaal”, aldus Pluyter, die kenbaar maakte dat iedereen die wil optreden zich bij de stichting kan melden. De eerste ‘acts’ hebben dat inmiddels gedaan: tijdens het Uitfestival wordt volgende week in de koepel gedanst en in december strijkt de goedendoelenorganisatie Glazen Huis Emmen neer onder de rieten kap.
Speciaal voor kniesoren: de heropening ging gepaard met een klein incident. Piet Naber had een foutje ontdekt op de door wethouder Keen onthulde plaquette. Daar – en ook op de website – staat vermeld dat de koepel uit 1935 stamt. Maar blijkens een advertentie uit de Emmer Courant was het een jaar eerder.
Zoals gebruikelijk in Emmen tilde niemand er zwaar aan. De vergissing werd ‘een detail’ genoemd, vervolgens weggelachen en wordt misschien ooit een keer stilletjes gecorrigeerd.