Over kunst en cultuur (in Drenthe en daarbuiten)

Categorie: Poezie (Pagina 1 van 117)

Ajax op een drooggewreven vis schrijven?  Nee, Joost Oomen, dat moet anders

Ook omdat Joost Oomen volgens mij een van de meest ambitieuze, relatief jonge schrijvers van dit moment is, reisde ik af naar een afgelegen zaaltje van Het Nationale Theater aan het De Constant Rebecqueplein om een try‑out van zijn Tot wie wij zijn-tournee bij te wonen.

Vooraf ging ik uiteraard na wie De Constant Rebecque ook alweer was. Het bleek te gaan om een militair die aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw carrière maakte, maar er niet in slaagde om aan de zijde van Willem Frederik van Oranje-Nassau te voorkomen dat de Belgen zich van ons koninkrijk afscheidden.

Met ‘een van de meest ambitieuze, relatief jonge schrijvers van dit moment’ bedoel ik auteur én artiest, want Joost Oomen (De Bilt, 1990) probeert en doet heel veel.

In het geval van Oomen komt ‘heel veel’ onder meer neer op gastschrijver zijn aan de Rijksuniversiteit Groningen, optreden als dichter tijdens festivals met of zonder de band Kruidkoek en Willy Darktrousers, optreden in theaters met of zonder De Poezieboys, optreden in popzalen als De Veenfabriek met Ingmar Heytze en Arjan Witte, columns schrijven voor Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant, columns voorlezen voor de gesubsidieerde radio-omroep, het Instagram-account Poëzie is een daad vullen, bloemlezen, verhalen en romans schrijven, lezingen geven, signeren.

Tot wie wij zijn opende ermee dat Oomen tegen een achtgergrond van een gordijn met berglandschapprint op een keukenkrukje ging staan om in de microfoon het gedicht Mens & dolfijn van Hans Faverey voor te dragen. Daarna begon hij te vertellen over kunstenaars die ogenschijnlijk vreemde dingen deden, zoals Wim T. Schippers en Bas Jan Ader, en voerde hij vervolgens een basisscholier uit Houten op die zo veel van vissen hield dat hij ze na het vangen droog veegde aan de mouw van zijn trui om met een watervaste stift op de huid van de vis de naam van zijn favoriete voetbalclub te schrijven: Ajax.

Dat laatste vond ik opmerkelijk voor een jongen uit Houten. Ik zou verwachten dat zo iemand ‘Utrecht’ op zijn vis zou schrijven, of ‘SV Houten’. Tegelijkertijd bedacht ik me dat ik een try‑out bijwoonde en dat iemand Joost Oomen erop zou kunnen wijzen dat hij dit moest aanpassen. Zodat hij in iedere plaats waar Tot wie wij zijn komende weken wordt opgevoerd de basisscholier de naam van een andere voetbalclub zou laten opschrijven: ADO Den Haag, Go Ahead, NEC, Cambuur, Vitesse, Twente, et cetera.

Een intrigerend uurtje volgde waarin Oomen, die zoals eerder gemeld steeds meer op Karel Appel begint te lijken, vol overgave zijn best deed om het publiek duidelijk te maken dat kunst – en dus ook poëzie – essentieel is voor wie wij zijn. Een dans, beeld of gedicht kan volgens Oomen iets in ons openen: emoties, inzichten, verwondering. Kunst – en dus ook poëzie – laat ons anders kijken en voelen, soms ongemakkelijk, maar altijd menselijker. Het verbindt ons met elkaar, toont ons wie we zijn – en wie we kunnen worden. Eveneens et cetera.

Oomen liet weer eens heel nadrukkelijk zien dat hij tot de homo ludens behoort. Wie kunst maakt, doet er goed spelend buiten de orde te treden. Dat hoeft niet eens bewust te gebeuren, zelfs als het onbewust gebeurt kan het tot kunst leiden. Zoiets.

Met name het indrukwekkende deel in de voorstelling over Ingrid Jonker mij bijblijven, maar (nog) lang niet alles liep op rolletjes. Natuurlijk niet. Na afloop beloofde Oomen dat hij al zijn teksten, en dat waren er nogal wat, voor komende optredens uit zijn hoofd zou leren.

Van mij mag hij dat achterwege laten. Ik hou er wel van als iets een beetje rommelig verloopt en oogt; bovendien kan het voorlezen van een tekst theatraal heel goed werken. Enfin, Joost Oomen komt er vast wel uit. Zelfs als dat niet volledig het geval is, is Tot wie wij zijn zeker de moeite van het bezoeken waard.

‘Dichter aan het front’, een 4-delige podcastserie over wat oorlog met een mens doet

Bericht van de VPRO waar de afdeling Bureau Buitenland Michiel Driebergen, Kateryina Shutalova en Edwin Koopman de gelegenheid heeft gegeven een vierdelige podcast te maken over hoe Oekraïense frontsoldaten mens proberen te blijven. Ik citeer:

‘Als verslaggever Michiel Driebergen terugkomt van het front heeft hij tijd nodig om zijn ervaringen te verwerken. Hij spreekt van terugkomen uit ‘een andere zone’, een volledig andere wereld, waar de wetten van het normale leven niet gelden.

Wat is die andere zone precies en hoe kun je die onbeschrijflijke ervaring in woorden vangen? Het antwoord komt van de poëzie, want verrassend veel Oekraïense soldaten blijken te dichten. Via hun persoonlijke notities en gedichten proberen zij invoelbaar te maken wat nauwelijks te beschrijven is. Kan hun poëzie, kan de taal, ons dichter bij hun ervaring brengen?

In Dichter aan het front staan vier oorlogsdichters en hun werk centraal; Maksym, Yaryna, Oleksiy en Roman. Net zoals de ‘war poets’ uit de Eerste Wereldoorlog, meer dan honderd jaar geleden, geven zij uitdrukking aan de gruwelen van het slagveld. En proberen zij te verwoorden wat er onder extreme omstandigheden overblijft van de mens: ‘Waar zijn mijn dromen? Kijk, ze liggen verstopt in de loopgraven.’

Dichter aan het front is vanaf 20 november te beluisteren op de podcastplatforms en via nporadio1.nl. Zie vpro.nl/bureaubuitenland.

Poëtisch landschap volgens Gummbah

De cadeaumaand nadert met rasse schreden. Uitgeverij De Harmonie stuurde een exemplaar van Lost in the Slaughterhouse of Reason van cartoonist, striptekenaar, schilder, theatermaker, humorist en absurdist Gummbah. Dit vermoedelijk met het doel om het boek onder de aandacht te brengen van een zo groot koperspubliek. Bij deze. Ik citeer uit een begeleidende persbericht:

‘Met Lost in the Slaughterhouse of Reason brengt Gummbah – inmiddels een cultheld in de Nederlandstalige cartoonwereld – een compleet nieuwe bundel met Engelstalig werk. Nu hoeft zijn werk in geen enkele boekenkast ter wereld meer te ontbreken. Deze bundel bevat een selectie van zijn geestigste en schaamteloos absurde tekeningen.’

Het boek is overigens beter dan bovengeplaatste reproductie.

Toen Simon Carmiggelt een hoestekst mocht schrijven voor Poëzie Hardop

In vervolg op de benoeming van Rob Chrispijn tot ere-Harlekijn trok ik een lp van het gezelschap Poëzie Hardop uit de kast. Voor wie dit hoort heet de plaat die in 1979 werd uitgebracht op het Harlekijn-label van Herman van Veen en consorten.

In 1979 was de punkgolf in Engeland alweer aan het afnemen, maar in Nederland begon de muzikale verharding op gang te komen. Luchtkastelen van Ton Lebbink moest nog verschijnen, in 1981. Antoine Oomen, Henk Batenburg en Mies de Heer trokken zich nergens iets van aan en sloegen onder productionele leiding van Adriaan Verstijnen een wat zijige toon aan.

Het meest spannend is de hoestekst van Simon Carmiggelt. Die luidt als volgt:

‘Dichten is een eenzame bezigheid. Een potloodje op een papiertje. Als het vers gedrukt wordt, maakt de dichter kans op weerklank. Al was het maar van die ene jongen in Overschie die wel eens leest. Als die jongeman bij het lezen iets ondergaat, heeft de dichter veel bereikt.

Is het mogelijk zijn verzen ook te zingen? Ja, als je ze met zorg uitzoekt. Het moet poëzie zijn die zelf ook al een beetje zingt op papier. Als Poëzie Hardop zo’n tekst met fijn gevoel voor de inhoud ten gehore brengt, zonder egocentrische tenorbedoelingen, hoor je iets heerlijks. Vroman, Nijhoff, Gorter – mooi hoor.

Maar Het Huwelijk van Elsschot moet je niet zingen maar kerven. Poëzie Hardop probeert het toch te zingen. Dat lukt niet. Hoort dat op de hoes? Maar ik ben niet ingehuurd om tijdens dat zingen alleen maar te jubelen. Misschien maakt een enkele bedenking mijn welgemeende lof voor de rest meer waard.’

De naam Poëzie Hardop kan overigens bekend voorkomen. Henk van Ulsen participeerde ooit in een gelijknamig initiatief van Huub Oosterhuis, waarbij in theaters werk van dichters als Achterberg, Hanlo, Nijhof, Lucebert, Vasalis en ook Gerhardt werd voorgedragen. Van Ulsen deed dat niet zingend, maar op zijn manier: zeggend.

Leest ‘Hier huizen draken’ van Marie Claus

Ik moest er even om zeuren – zouden ze het vergeten zijn? – maar uiteindelijk stuurde uitgeverij Lebowski mij de dichtbundel Hier huizen draken van Marie Claus. Als pdf. Die ik kan uitprinten.

Waarom wilde ik dat ding graag lezen? Voor een bespreking, om te beginnen. Omdat Claus er een van ons is, zoals dat bij ons op de redactie heet. Want woonachtig in Groningen. Eerst als stadsdichter, later als docent aan onder meer de Schrijversvakschool. Haar vorige dichtbundel, De begrafenis van de mannen uit 2016, scoorde liefst vijf sterren in onze krant.

In ons archief zocht ik de recensie van toen op. In het stuk prijst Eppie Dam de interesse van Claus voor ‘de oorspronkelijke en onaangepaste geest’. Hij prijst ook haar zelfspot, haar hilarische humor en haar talent voor drama en het absurde: ‘Ze vilt en fileert, ontleedt en ontmaskert, en alles met een droog soort venijn waar het vileine aan ontbreekt.’

Probeer daar maar eens overheen te komen.

Wat opvalt, is dat ze zich geen Anneke meer noemt maar Marie. Waarom zou dat zijn? Wat is er in haar of aan haar veranderd? De website van haar uitgeverij biedt geen uitkomst. Wel een promotekst over haar bundel, altijd handig voor wie graag op weg geholpen wordt:

‘Was will das Weib, vraagt Marie Claus zich af in haar nieuwe bundel Hier huizen draken. Een plek op het podium, in het landschap en in de schoolboeken. Een gesprek over de tijden waarin die plek er niet was, over de huidige tijd waarin die plek er nog steeds veel te vaak niet is, over haar woede en verdriet over die gang van zaken.

Hier huizen draken is het verslag van haar reis naar de rand van de kaart, naar daar waar het licht van de rede hapert en de intuïtie het moet overnemen. Ze vertelt over de verwoesting die ze onderweg aantreft: luie instituten, verscheurde landschappen, gedecimeerde en op drift geraakte volkeren.

Met de geconcentreerde aandacht van een weefster zoekt ze naar een taal die haar rouw en irritatie kan verbeelden zonder dat ze zich voegt naar de logica die deze versnippering mogelijk heeft gemaakt.’

Wat van het bovenstaande vooral blijft hangen, of binnenkomt, is de zinsnede ‘reis naar de rand van de kaart, naar daar waar het licht van de rede hapert en de intuïtie het moet overnemen’. Dat is niet zonder consequenties. Als een dichter de ratio achter zich laat en zich overgeeft aan intuïtie kan dat leiden tot een irrationale taal. Die niet altijd goed te volgen is. Althans voor lezers die zich niet zo makkelijk durven over te geven.

Het kan verklaren waarom sommige gedichten, misschien zelfs wel veel gedichten, iets onnavolgbaars hebben. Neem Tot nu toe gaat alles goed, het gedicht waarin de bundeltitel Hier huizen draken in voorkomt.

In de eerste regel figureren naast die draken twee dieren: een wolf en een lam. De ik vreest het ergste, zou willen ingrijpen, wil God over de wolf spelen, maar besluit het nog even aan te zien. Misschien ziet de wolf het lam als iets waar hij recht op heeft, weifelt God, die blijkbaar mens is geworden. Als dat zo is ‘zal ik hem beoordelen en veroordelen/ Ik zal hem zeggen dat hij het verdient te sterven/ terwijl ik eigenlijk niets liever wil dan zeggen dat ik hem ben/ en trillend als het lam mijn hoofd in zijn muil steken.’

Dan ineens lezen we dat wolven bang zijn voor mensen. En even verderop: ‘Als wolven het met onze honden gaan doen/ zullen onze honden zich tegen ons keren.’ Nu weet ik niet alles van de evolutie, maar honden zijn toch gedomesticeerde wolven? Het wordt nog verwarrender: ‘Onze honden zijn niet echt van ons,/ ze horen bij de wolven, wij ook,// dat zijn we vergeten, per ongeluk, met opzet.’

Claus bedoelt het wellicht minder ingewikkeld dan ik het lees. En nu ik het zo opschrijf, hoor ik ergens een kwartje vallen. De mens zou wel eens een draak, een wolf en een hond kunnen zijn. Drie voor de prijs van één. Maar waarom dan God erbij gesleept? Vanwege zijn mythisch karakter? Net zoals de draak een mythisch wezen is? In religieuze zin zijn ze niet verwant. Het lam daarentegen, symbool van de onschuld, past weer wel in dit wankele beeld.

Als ik bovenstaande opneem in een bespreking voor de krant – maximale lengte om opmaaktechnische reden 400 woorden – blijft er geen ruimte over voor andere observaties. Met als gevolg dat de indruk wordt gewekt dat Hier huizen draken een slechte dichtbundel zou zijn. Drie sterren. Laat ons mild zijn.

En daarmee wordt voorheen Anneke Claus tekort gedaan. Want ze heeft wel degelijk, naar mijn maatstaven, goede gedichten geschreven. Of op zijn minst gedichten met goede stukken.

Humor en talent voor drama en het absurde heeft Claus nog steeds. Neem het openingsgedicht, Brandstapelangst, waarin de ik heks wordt genoemd: ‘het was lief bedoeld/ en toch was ik meteen op mijn hoede.’ In de volgende strofe lijkt sprake van een misverstand: ‘Ik verstond: in treinstel 40445 is iemand van de relativering aanwezig./ Misschien zei hij toch eerder railcatering.’

We hebben hier te maken met wat in het proza een onbetrouwbare verteller wordt genoemd, maar in de poëzie een associatief dichter heet, iemand die van de hak op de tak kan springen en ondertussen naar een eigen stem zoekt. Een stem die het over de werkelijkheid en tegelijkertijd over een sprookje kan hebben.

Iemand, zoals blijkt uit het gedicht Captcha, die door een computer wordt gevraagd te bewijzen een mens te zijn. ‘Wat ben je aan het doen?’ en ‘Hoe zit het met je relatie?’ wil Facebook weten. ‘Bewijs dat je geen robot bent’, sommeert de website. Zo iemand steekt de ene keer een vinger in je oog en zit er de andere keer helemaal naast. Een echt mens, derhalve.  

De zeven gedichten die samen de afdeling Rituelen, jaren nul zijn allemaal goed. Omdat ze de flow van een litanie hebben en een liefdesgeschiedenis lijken te beschrijven die ontspoort. Waarbij de ‘je’ – die uiteraard een ‘ik’ is – eenzaam, verward en ziek achterblijft, zichzelf probeert op te richten, wat niet makkelijk is ‘in een tijd,/ in een wereld van bordkarton’ en succes afhankelijk is van een sympathiek karakter.

#

De makke met poëzierecensies, het moet maar eens gezegd, is dat ze nauwelijks tot nooit recht doen aan de bundel waar de recensie betrekking op heeft. Dat komt, denk ik, doordat poëzie, vooral hedendaagse poëzie, bewust van rationaliteit beweegt richting ‘de rand van de kaart’. Naar de plek waar het onbekende zich bevindt, daar waar geen herkenbare taal meer wordt gebezigd.

Als recensent moet je én de dichter proberen te volgen én de achterblijvende lezer bijpraten over de route die de dichter volgt naar haar of zijn onbekende bestemming. En, eenmaal aangekomen, in heldere bewoordingen, nog nahijgend, proberen te omschrijven wat die bestemming is. En ondertussen tast de dichter in het duister: ‘Ja, ik weet het ook niet. Ik ben hier ook voor het eerst. Ik vind het mijn moeite waard. Wat vind jij?’

Ooit sprak ik een schrijver over de functie van recensies. Daarbij hield ik hem, het was een man, nog steeds overigens, voor dat ik probeer het boek van een auteur te beoordelen op de doelen die hij of zij zich stelt. Waarop die man zei: ‘Dat vind ik helemaal niet interessant. Ik vind het veel interessanter wat jij tijdens het lezen van mijn boek hebt ontdekt. Waarom schrijf je dat niet op?’

#

Na drie keer Hier huizen draken van Marie Claus te hebben gelezen, heb ik het gevoel dat ik vaak tussen de woorden de zinnen niet kan vinden, dat het bos wordt gevormd door bomen met takken ver boven mijn hoofd, dat ik deelgenoot wordt gemaakt van een mysterie waar nauwelijks plaats voor mij is.

Ik begin opnieuw. Ik ben nog niet verslagen. En deze draak evenmin.

Dat (voor Peter Veen)

Dat je een persbericht krijgt van kunstenaar en schrijver Peter Veen over een luisterwandeling in het Bargerveen.
Dat je denkt: alweer kunst in het Bargerveen? We hebben net Into Nature achter de rug.
Dat je denkt: alweer aandacht creëren voor Peter Veen na de bespreking van zijn tentoonstelling in het CBK Emmen, een signalement van zijn verhalenbundel Grensgebied en de vermelding van zijn bijdrage aan de groepsexpositie in de DSG-galerie in Assen?
Dat je toch wel nieuwsgierig bent en een beetje beweging in de buitenlucht misschien geen kwaad kan.

Dat het downloaden van alweer een app begint te vervelen. Ook als die app echoes.xyz heet en gratis is.
Dat het in het Bargerveen verrassend druk kan zijn.
Dat iedereen je aankijkt met een blik van ‘ben je er een van hier?’
Dat het even kan duren alvorens je wilt laten leiden door een bewegende stip op een telefoonscherm.
Dat je een belletje hoort waarna een stem een verhaal vertelt op een plek waar dat verhaal is bedacht.

Dat de term minipodcast even begrijpelijk als overdreven is.
Dat je een foto maakt van mensen die een foto maken nadat je geluisterd hebt naar een verhaal waarin iemand een foto maakt van mensen die een foto maken.
Dat jouw vrouw een foto van jou wil maken, maar dat niet zo goed kan als de vrouw van Peter Veen, die museale foto’s maakt.
Dat het Zuidoost-Drentse landschap doet denken aan een elegie.
Dat het tijdens het wandelen lastig is een audiowandeling te combineren met een goed gesprek.
Dat de twijfel toeslaat over de route nadat andere wandelaars hebben gewaarschuwd voor drassige paden: ‘Wij zijn niet verder gegaan.’

Dat het verrassend is in een moeras een bekende tegen te komen.
Dat het lang niet altijd traditionele verhalen zijn die Peter Veen schrijft en vertelt.
Dat soms een diepere laag ontbreekt, net als in het leven.
Dat Peter Veen soms razend rake observaties weet te verwoorden.
Dat zijn slotverhaal Dat eigenlijk een gedicht is.
Dat je denkt: emotie + imitatie x experiment = somtijds kunst.
En blij bent dat je eropuit bent gegaan.

Biografie C.O. Jellema op komst

Een opbeurend nieuwtje passend bij de Poëzieweek. Afkomstig uit de nieuwsbrief van het Biografisch Instituut: Gerben Wynia heeft Aan rozen denk ik in de winter voltooid, zijn biografie van C.O. Jellema (1936 – 2003).

Op 10 maart verdedigt Wynia zijn proefschrift in het Academiegebouw in Groningen. Begeleiders van zijn onderzoek waren Gillis Dorleijn en Hans Renders. Wanneer de publieksuitgave van de biografie verschijnt is nog niet duidelijk.

De in Groningen geboren Jellema was dichter van bundels als Droomtijd (1999) en Stemtest (2003) en doceerde Duitse literatuur aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn werk is vertaald in het Engels, Duits en Frans, en bekroond met een paar prijzen.

Poëzie: een ziekte die je met idioten deelt

Ter voorbereiding op de Poëzieweek 2022 keek ik vrijdag, na het kopen van een kaartje á 7,50 euro, via mijn tablet de Dichters­marathon van Perdu, het centrum voor poëzie en experiment in Amsterdam.

Klokslag 20.00 uur verscheen Peter Prins in beeld. Hij kondigde, eerst in het Nederlands en daarna in het Engels, een beeldschermvariant van een, in Amsterdam, vertrouwd evenement aan. Vervolgens verschenen gedurende twee uur twintig dichters in beeld die ieder drie gedichten mochten voordragen. Twee eigen werken, een cover.

(Twintig dichters? Ik zag er maar negentien. Bij Ranwa Alamsi bleef hier het beeld zwart, ook na driftig tikken op het scherm. Even later, toen de boel weer aan de praat kwam, zag ik Alfred Schaffer.)

Je hoort in deze tijd vaak dat er niets boven live gaat, zeker in podiumkunstkringen, maar in de poëzie is dat niet altijd het geval. Vaak is het fijner om zelf een gedicht te lezen, dan naar een voorlezende dichter te luisteren. Soms is het fijner naar een ingezonden videofilmpje te kijken, vooral als dat filmpje doordacht gemaakt is.

Tijdens de marathon bleek dat een aantal maal het geval. Vooral de bijdragen van Sarah de Koning (die een lamp op de camera had gericht om zichzelf nog mysterieuzer maken), Jos van Hest (die uit zijn ogen keek alsof hij xtc had geslikt) en Claartje Chajes (wier reclamepraatje werd verstoord door klussende buren) oogden in filmisch opzicht intrigerend.

De marathon kende een internationaal deelnemersveld, wat de verstaanbaarheid en begrijpelijkheid niet altijd ten goede kwam. Lucia Dove (die bij kaarslicht in een krakende misschien wel door storm belaagde kamer voorlas) bezigde de Engelse taal, Shira Wolf (die een ode bracht aan de film noir) las voor in het Servisch, Milen Pavlovic in een taal die ik niet thuis kon brengen, Giovanna Vivian in het Italiaans en Yasser Al-Zayat in het, vermoed ik, Arabisch.

De finale was weer wel heel goed te volgen. Voor de geslaagde afsluiting door Marie Claus, zette Kamiel Choi zijn dochtertje Miru tussen de bladeren in een boom om Misverstand van Menno Wigman voor te lezen. Een gouden greep, ook omdat ze er een onweerstaanbaar rommeltje van maakte waardoor al het voorgaande prettig werd gerelativeerd:

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
Waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en ’s nachts – een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Over Controversiële diersoort van Rigter & Baljon

Een van de meest merkwaardige dichtbundels die ik dit jaar onder ogen heb gekregen, is Controversiële diersoort van uitgeverij Opwenteling – alleen die naam al. Arnoud Rigter en Sieger Baljon kozen voor deze uitgave gedichten van collega-dichters, maakte daar kopieën en scans van en plakten deze vervolgens op de hen beschikbaar gestelde bladzijden.

Het eindresultaat is ‘iets’ waar de kerstpuzzel van Dr. Denker bij in het niet valt. De bundel opent met orakelpraat die niet als gedicht is te herkennen: ‘Deze achterkant interesseert zich niet/ hij reikt uit/ Om oogglans- en blosbevorderingen/ Om de tijd van klokken te zuiveren/ Omdat de mens een controversiële diersoort is.’

Wie dit schreef en waarom is onduidelijk. Wat er bedoeld wordt, is raadselachtig. En dat raadsel wordt naar mate de bundel vordert alleen maar vergroot. Dat komt ook door de hotse-klots-opmaak waarbij de eerder genoemde kopieën of scans met een vermoedelijk genot op de bladzijden zijn gekwakt.

Gaandeweg, bladerend, ontstaat het idee dat Rigter en Baljon menen dat montages en herschikkingen tot een durfde bloemlezing of nieuw geheel kunnen leiden. Dat laatste is op zich juist, maar toegankelijker wordt het er niet van. Het schrikt eerder af. En, eerlijk gezegd, dat is ook weer de charme van Controversiële diersoort.

En dan ineens lees ik het volgende:

Ik weet
niet meer
wat r gebeurd is

ik weet
t nog
maar t
dringt niet
tot me door

t dringt
tot me door
maar ik wil
r niet
over praten

ik wil
erover praten
maar ik vind
de woorden
niet

ik vind
de woorden
maar ik krijg
ze niet
naar buiten.

Jan Arends!? Achterin de bundel blijkt het om Ik weet van Erik Jan Harmens te gaan. En dat de voorgaande en volgende teksten afkomstig zijn uit bundels van Roelof ten Napel, Radna Fabias, Gerda Blees, Joris Miedema, Han van der Vergt, Michael Tedja. De hedendaagse experimentelen.

Ik durf niemand een exemplaar van Controversiële diersoort cadeau te doen. Mijn reputatie is al dubieus genoeg. Maar als bewijs dat in de poëzie alles mag en kan geef ik deze bundel met plezier een plek op de onderste plank in mijn boekenkast.

Titel: Controversiële diersoort Samenstelling: Arnoud Rigter & Sieger Baljon Uitgever: Opwenteling. Prijs: 22 euro (100 blz.)

Rik Andreae, Aafke Romeijn en Tonnus Oosterhoff

Annette Timmer en ik – Joep van Ruiten – ontvangen komende vrijdag zoals vanouds drie schrijvende gasten in De Literaire Hemel te Amen. Dit keer betreft het Rik Andreae, Aafke Romeijn en Tonnus Oosterhoff.

Laatstgenoemde komt vertellen over zijn hertaling van Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart uit 1782, naar verluidt de eerste Nederlandse brievenroman. Oosterhoff kortte zinnen in en ontnestelde ze, moderniseerde begrippen, gooide waar nodig constructies om en schrapte in onbruik geraakte Franse woorden. Vraag vooraf: waar is dat allemaal goed voor?

Andreae (1950) wordt geïnterviewd over zijn nieuwe dichtbundel Landschap met blauwe schutting. Maar mogelijk wil hij ook iets kwijt over wat hij van Remco Ekkers heeft geleerd, waar hij Gronings leerde schrijven en wat hij tijdens zijn jaren in Zuidoost-Drenthe heeft opgestoken. Andreae komt de eer toe dat hij als eerste een gedicht over Klijndijk heeft geschreven: Het ding van Klijndijk.

Schrijver en muzikant Aafke Romeijn (1986) debuteerde in 2018 met de roman Concept M. Haar nieuwe boek 7B speelt in 2040, in een woon- en werktoren die door de Europese Unie in Oost-Groningen is gebouwd voor ‘outsourcing community’s in dun bevolkte gebieden’. Het gebouw is zo kolossaal dat niemand naar buiten hoeft, wat wel zo makkelijk is, want soms kondigt de overheid een kleurcode af waarna mensen niet buiten mogen.

De muziek wordt verzorgd door Greet Kloeg (fagot) en Sjoerd Visser (fluit). Aanvang: 20.15 uur. Toegang: € 18,50, inclusief twee consumpties. Reservering@literairehemel.nl. Voor entree is naast een ticket een coronatoegangsbewijs nodig.

« Oudere berichten

© 2026 Woest & Ledig

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑