
Ook omdat Joost Oomen volgens mij een van de meest ambitieuze, relatief jonge schrijvers van dit moment is, reisde ik af naar een afgelegen zaaltje van Het Nationale Theater aan het De Constant Rebecqueplein om een try‑out van zijn Tot wie wij zijn-tournee bij te wonen.
Vooraf ging ik uiteraard na wie De Constant Rebecque ook alweer was. Het bleek te gaan om een militair die aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw carrière maakte, maar er niet in slaagde om aan de zijde van Willem Frederik van Oranje-Nassau te voorkomen dat de Belgen zich van ons koninkrijk afscheidden.
Met ‘een van de meest ambitieuze, relatief jonge schrijvers van dit moment’ bedoel ik auteur én artiest, want Joost Oomen (De Bilt, 1990) probeert en doet heel veel.
In het geval van Oomen komt ‘heel veel’ onder meer neer op gastschrijver zijn aan de Rijksuniversiteit Groningen, optreden als dichter tijdens festivals met of zonder de band Kruidkoek en Willy Darktrousers, optreden in theaters met of zonder De Poezieboys, optreden in popzalen als De Veenfabriek met Ingmar Heytze en Arjan Witte, columns schrijven voor Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant, columns voorlezen voor de gesubsidieerde radio-omroep, het Instagram-account Poëzie is een daad vullen, bloemlezen, verhalen en romans schrijven, lezingen geven, signeren.
Tot wie wij zijn opende ermee dat Oomen tegen een achtgergrond van een gordijn met berglandschapprint op een keukenkrukje ging staan om in de microfoon het gedicht Mens & dolfijn van Hans Faverey voor te dragen. Daarna begon hij te vertellen over kunstenaars die ogenschijnlijk vreemde dingen deden, zoals Wim T. Schippers en Bas Jan Ader, en voerde hij vervolgens een basisscholier uit Houten op die zo veel van vissen hield dat hij ze na het vangen droog veegde aan de mouw van zijn trui om met een watervaste stift op de huid van de vis de naam van zijn favoriete voetbalclub te schrijven: Ajax.
Dat laatste vond ik opmerkelijk voor een jongen uit Houten. Ik zou verwachten dat zo iemand ‘Utrecht’ op zijn vis zou schrijven, of ‘SV Houten’. Tegelijkertijd bedacht ik me dat ik een try‑out bijwoonde en dat iemand Joost Oomen erop zou kunnen wijzen dat hij dit moest aanpassen. Zodat hij in iedere plaats waar Tot wie wij zijn komende weken wordt opgevoerd de basisscholier de naam van een andere voetbalclub zou laten opschrijven: ADO Den Haag, Go Ahead, NEC, Cambuur, Vitesse, Twente, et cetera.

Een intrigerend uurtje volgde waarin Oomen, die zoals eerder gemeld steeds meer op Karel Appel begint te lijken, vol overgave zijn best deed om het publiek duidelijk te maken dat kunst – en dus ook poëzie – essentieel is voor wie wij zijn. Een dans, beeld of gedicht kan volgens Oomen iets in ons openen: emoties, inzichten, verwondering. Kunst – en dus ook poëzie – laat ons anders kijken en voelen, soms ongemakkelijk, maar altijd menselijker. Het verbindt ons met elkaar, toont ons wie we zijn – en wie we kunnen worden. Eveneens et cetera.
Oomen liet weer eens heel nadrukkelijk zien dat hij tot de homo ludens behoort. Wie kunst maakt, doet er goed spelend buiten de orde te treden. Dat hoeft niet eens bewust te gebeuren, zelfs als het onbewust gebeurt kan het tot kunst leiden. Zoiets.
Met name het indrukwekkende deel in de voorstelling over Ingrid Jonker mij bijblijven, maar (nog) lang niet alles liep op rolletjes. Natuurlijk niet. Na afloop beloofde Oomen dat hij al zijn teksten, en dat waren er nogal wat, voor komende optredens uit zijn hoofd zou leren.
Van mij mag hij dat achterwege laten. Ik hou er wel van als iets een beetje rommelig verloopt en oogt; bovendien kan het voorlezen van een tekst theatraal heel goed werken. Enfin, Joost Oomen komt er vast wel uit. Zelfs als dat niet volledig het geval is, is Tot wie wij zijn zeker de moeite van het bezoeken waard.








