Over kunst en cultuur (in Drenthe en daarbuiten)

Categorie: Erfgoed (Pagina 1 van 99)

Over de teloorgang van de Nabershof en de toekomst van het Veenpark

Dagblad van het Noorden bracht een week geleden een interview met Johan Suelmann uit Peest, de nieuwe, ideeënrijke directeur van het Veenpark in Barger-Compascuum. Ik las het met grote belangstelling, ook om erachter te komen wat zijn plannen zijn.

Tot het faillissement in augustus 2025 vertelde het Veenpark over de geschiedenis van de Drentse veenkoloniën, een belangrijk verhaal. Bezoekers konden in het park in een nagebouwd dorp, gelegen nabij een hoogveengebied, middels demonstraties van oude ambachten beleven hoe het vroegere leven in het veen eruitzag – je zou het een openluchtmuseum kunnen noemen.

Afgaand op het interview staat het park er nu niet best voor. Suelmann is van plan om met hulp van vrijwilligers de boel waar mogelijk te renoveren. Vervolgens moet hij namens de nieuwe eigenaar, Klokslag Aktiviteiten Beheer uit Assen, veel bezoekers gaan trekken. Horeca wordt daarbij een van de belangrijkste trekpleisters.

Over het vertellen van het verhaal van het verleden wordt gemeld dat de oude ambachten terugkeren in de vorm van demonstraties en activiteiten, vergelijkbaar met de vroegere Compascumer Dagen. Deze moeten straks meerdere dagen per week plaatsvinden, zodat bezoekers het verhaal van het veen beter kunnen beleven.

Geïnspireerd door dit concept stapte ik op de fiets om een kijkje te nemen bij de Nabershof in Emmen. In 2020 werd naast deze boerderij uit 1621 een nieuwe expositieruimte gebouwd om te vertellen over het boerenleven op de Hondsrug, het verhaal dat vooraf gaat aan het Veenpark. Door de statische tentoonstellingsopzet kwamen er in Emmen nauwelijks bezoekers op af.

Vorig jaar werden de panden door noodlijende erfgoedorganisatie Het Volk van Grada noodgedwongen verkocht aan de gemeente Emmen. In april van dit jaar werd ook de inventaris van de hand gedaan. Citaat uit Dagblad van het Noorden: „De gemeente had alleen interesse in de gebouwen, niet in de inhoud”, zegt bestuurslid Eric Wit van Het Volk van Grada. „We hebben ook diverse musea benaderd, maar de interesse is minimaal.”

Zoekend naar een verband tussen de teloorgang van het Veenpark en de Nabershof is het verleidelijk om te concluderen dat de belangstelling voor het erfgoed van Zuidoost-Drenthe zorgwekkend is. Dit ondanks allerlei investeringen – ook in Museum Collectie Brands in Nieuw-Dordrecht, het Smalspoormuseum in Erica en het Van Gogh Huis in Nieuw-Amsterdam.

Belangrijk is de vraag waardoor dat komt. De geschiedenis is wat-ie is: grotendeels achter de rug.Maar wat kun je en moet je ermee?

Waarom zijn mensen nauwelijks geïnteresseerd in het leven zoals dat door hun (groot)ouders en voorouders werd geleid? Wordt het verhaal niet goed verteld? Is het een gebrek aan respect voor in het verleden behaalde resultaten? Of hebben we iets beters aan ons hoofd? Het nieuwste model barbecue, of de saldering van de opbrengst van de zonnepanelen – ook wel bekend als de toekomst?

Zoals wel vaker bestaat de waarheid vermoedelijk uit verschillende onderdelen die ergens in het midden rondzwerven. Alleen knappe koppen en doorzetters weten er iets van te maken. Hup Johan Suelmann!

O Nedersaks, let op u saeck

Je zou ook in de maand waarin de streektaal extra in de aandacht staat iedereen een abonnement op de Leeuwarder Courant wensen. Opdat men kan lezen over de commotie die is ontstaan nadat op het provinciehuis in Leeuwarden weer eens is gezegd dat alle basis- en middelbare scholieren de Friese taal actief moeten leren gebruiken.

Nadat de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden er een commentaar over schreef, volgde een cultuurredacteur van de Leeuwarder Courant met een reactie. Daar bleef het niet bij. Dinsdag bracht de LC een stuk over wat de Friese taalbevordering betekent voor de gemeente Ooststellingwerf.

Dat is de gemeente van de grote Nedersaksische verhalenverteller Johan Veenstra. Het is de gemeente waar de Stellingwarver Schrieversronte is gevestigd, het kenniscentrum voor het Nedersaksisch zoals dat in de provincie Friesland wordt gesproken. Bovendien is het de gemeente waar in 2018 is nagelaten een vrijstelling aan te vragen voor de verplichtingen waar overheden nu werk van gaan maken. Met als gevolg dat het Nedersaksisch verder op achterstand wordt gezet.

Streektaal levend houden is niet alleen een kwestie van streektaalgebruik. Het is ook een kwestie van in de gaten houden wat er speelt.

Iedereen verzamelt, want wat je weggooit zie je later nooit weer

Zijn verhaal is vaker verteld, maar blijft inspirerend. Jans Brands (1932 – 2019) was een nestblijver in Nieuw-Dordrecht en vulde na het overlijden van zijn vader en moeder het ouderlijk huis met alles wat hem boeide. Sommige mensen zouden hem een hoarder noemen, maar de belangstelling van Brands was wel degelijk gericht.

Vooral Drenthe had zijn interesse. Er hoefde maar iets op te duiken dat met de geschiedenis van zijn provincie en geboortestreek te maken had, of hij legde er de hand op. Naturalia, exotica, scientifica  en artificialia. Boeken, munten, gebruiksvoorwerpen, tekeningen. Na verloop van tijd zat zijn huis zo vol met vondsten dat het een probleem begon te worden. Wat moest er na zijn overlijden mee gebeuren?

Het is dit jaar vijftien jaar geleden dat naast het ouderlijk huis van Brands in Nieuw-Dordrecht Museum Collectie Brands werd geopend. Daar was een spannende discussie voorafgegaan, met als middelpunt een nog spannender dilemma: lang niet alles wat Brands had verzameld was museumwaardig. Dat wist hij zelf ook. ,,Maar,” zei hij, ,,waarom zou je iets weggooien? Dan zie je het later nooit weer.”

Brands overleed in 2019, na een periode van slijtage aan het benul. De mensen die zich over zijn collectie hebben ontfermd, hebben het derde lustrum van het museum aangegrepen voor de expositie Iedereen verzamelt. Getoond worden zeven collecties van particulieren: antiek speelgoed, peper- en zoutstelletjes, eierdopjes, mechanische wekkers, Warhammer-attributen, Rubik’s cubes en spellen van fabrikant Homas.

Laatstgenoemde verzameling is ingebracht door Hans Reismann, die in de jaren negentig bij zijn schoonmoeder een houten knikkerbaan ontdekte. Het spel maakte iets in hem wakker. Sindsdien struint hij rommelmarkten, kringloopwinkels en internet af in de hoop een van de spellen te vinden die tussen 1932 en 1983 door Homas in Assen zijn gemaakt.

Reismann is geen superverzamelaar zoals Jans Brands; hij is vooral liefhebber. Het gaat hem om de nostalgie die de Homas-spellen oproepen. Het bedrijf uit Assen maakte behalve knikkerbanen ook kegelbanen, biljarts, flipperkasten en sjoelbakken. Het gaat Reismann om het speuren. Niets is zo mooi als in het echt een origineel Homas-spel ontdekken. En het gaat om het spelen, want dat mag van Reismann nog steeds met de spullen van Homas.

Mevrouw Generaal is inmiddels overleden, maar beheerde tot haar 99ste een collectie eierdopjes van maar liefst 1500 stuks in allerlei kleuren en uitvoeringen, maar meestal van hetzelfde formaat. Een deel daarvan is in Nieuw-Dordrecht in vitrines te zien. Thuis werden ze bewaard in houten kasten die door haar man waren gemaakt.

Bij ieder dopje kon mevrouw Generaal een verhaal of anekdote vertellen. Zoals over het ontstaan van haar verzameling, nadat ze in de jaren dertig een eierdopje cadeau had gekregen van een schooljuf die op vakantie was geweest in Chamonix, Frankrijk. Ooit brak het dopje; dankzij lijm kreeg het er een verhaal bij. Als ze zelf geen exemplaren kocht, kreeg ze ze wel, bijvoorbeeld van haar kleinkinderen. Alles werd liefdevol uitgestald en indien nodig afgestoft.

Toen mevrouw Generaal in 2024 overleed, werd haar collectie opgesplitst. De belangrijkste delen gingen naar familie. Dochter Jantina ontfermde zich over hoogtepunten van de verzameling die nu een plek hebben gevonden bij Museum Collectie Brands. Tijdelijk, want de tentoonstelling wordt een keer gewisseld. Er zijn nog veel meer particuliere verzamelingen die het waard zijn om getoond te worden. Een oproep leverde tientallen reacties op uit heel Nederland.

Iedereen verzamelt is in oppervlakte geen grote tentoonstelling, maar de hoeveelheid objecten is enorm. En eenmaal uitgekeken wacht de collectie van Jans Brands zelf, met fascinerende objecten als aardappelkrabdoppen, een antidrinkbeugel, een neusklem voor een stier, een zak bijentabak en – persoonlijke favoriet – een grijze haarbal met een omvang van tien centimeter die na slachting van een koe in een van de vier magen werd aangetroffen.

Zoals iedereen in Nederland een keer in zijn of haar leven De Nachtwacht in het Rijksmuseum in Amsterdam met eigen ogen moet hebben bekeken, moet iedereen in Drenthe op zijn minst een keer over de drempel van Collectie Brands stappen. Al was het maar om bij het verlaten in een kast een exemplaar aan te treffen van het boek ’s Nachts denk ik aan Angela van de vergeten schrijver Rayleigh Best uit 1960.

Brands had twee exemplaren. Een daarvan is nu te koop voor elk aannemelijk bod. De opbrengst komt ten goede aan het museum waarvan de grondlegger ooit het volgende zei: “Denk goed na voor je iets weggooit. Het kan waardevol zijn, al hoeft dat niet altijd in geld te zijn. Wat je weggooit zie je later nooit weer.”

De tentoonstelling Iedereen verzamelt is tot en met 16 augustus te zien in Museum Collectie Brands, Herenstreek 11 in Nieuw-Dordrecht. Voor openingstijden zie www.collectie-brands.nl.

Nog even en Drenthe merkt iets van Noordenveld als culturele gemeente

Noordenveld mag zich sinds 1 oktober 2024 culturele gemeente van Drenthe noemen. De rest van de provincie merkt dat volgende maand.

Dat wil zeggen: op 11 maart wordt in De Brinkhof in Norg een cultureel café gehouden met als thema Passie & Talent. Wat daar precies staat te gebeuren, is onduidelijk. Volgens de gemeentelijke website vindt die dag in ieder geval de aftrap plaats van een programma met als motto ‘Voeten in ’t Veld’ dat tot en met 1 november zal duren.

Een rekensom leert dat Noordenveld acht maanden uittrekt voor het culturele-gemeentejaar. Vergeleken met de vorige elf culturele gemeenten in Drenthe is dat bescheiden. „Er zijn op de achtergrond allerlei voorbereidende werkzaamheden geweest”, nuanceert burgemeester Klaas Smid.

„We hebben een wisseling gehad in het coördinatorschap; dat heeft wat tijd gekost”, vervolgt hij. „Maar achter de schermen is er heel veel gebeurd. We hebben eerder culturele cafés gehouden om de boel bij elkaar te brengen. Dat heeft veel enthousiasme en creativiteit opgeleverd. Nu komt het erop aan om het goed naar buiten te brengen.”

Dat Noordenveld een compacte culturele gemeente levert, heeft deels ook financiële oorzaken. „Toen we de gemeente De Wolden mochten opvolgen, was nog sprake van de dreiging van het Ravijnjaar. Wij matchen het budget dat door de provincie beschikbaar is gesteld (90.000 euro), maar het betekende wel dat we onze ambities moesten bijstellen – zonder aan het doel te tornen”, zegt de burgemeester.

Noordenveld is de voorlopig de laatste culturele gemeente van Drenthe. Borger-Odoorn was in 2002 de eerste. Het provinciale project, geïnitieerd ten tijde van cultuurgedeputeerde Margriet Brink, is bedoeld om activiteiten te organiseren die de lokale culturele infrastructuur versterken en mogelijk ook daarna bovenregionaal iets blijvends opleveren.

Het provinciebestuur van Drenthe heeft de intentie het project voort te zetten. Of dit daadwerkelijk gaat gebeuren, hangt af van een evaluatie waarbij alle twaalf gemeenten naar hun ervaringen worden gevraagd. De lokale opbrengst is vooralsnog onduidelijk; de bovenregionale opbrengst lijkt gering.

Noordenveld heeft voor komende maanden zo’n vijftig activiteiten op stapel staan, groot en klein. Een deel daarvan zijn voortzettingen, zoals festival Wat ’n Kunst in Roden, Festival Veenhuizen en Folly Art Norg. De nomadische kunstmanifestatie Into Nature vindt dit jaar plaats in en rond natuurgebied De Onlanden.

Mede dankzij de lustrumviering van de UNESCO-status voor de Koloniën van Weldadigheid worden daar, naast lokale activiteiten, onder meer het tweedaagse UNESCO-congres in mei, het multidisciplinaire festival Noordergloed in juni en de opening van een kunstenaarsbroedplaats in de voormalige marechausseekazerne in Veenhuizen aan toegevoegd.

Stedelijk Museum Coevorden komt met tentoonstelling over slavernijverleden

Het Stedelijk Museum Coevorden maakt een tentoonstelling over de relatie van de oudste stad van Drenthe met het slavernijverleden.

Het is voor het eerst dat in Drenthe een museale tentoonstelling wordt gewijd aan het slavernijverleden. „Hoewel Coevorden als stad niet direct betrokken is geweest, is ook hier eeuwenlang geprofiteerd van slavernij en het koloniale systeem”, aldus de samenstellers. De titel van de tentoonstelling is Verketend Beeld.

Getoond wordt een semi‑chronologisch overzicht waarbij lokale facetten van slavernij en imperialisme worden gekoppeld aan de nationale geschiedenis. Aanleiding voor de tentoonstelling is een eerder dit jaar gepresenteerd onderzoek naar de Drentse rol binnen het slavernijverleden.

Uit dat onderzoek bleek dat de rol van inwoners van Drenthe groter is dan voorheen werd aangenomen. Verschillende inwoners van Coevorden waren betrokken bij het reilen en zeilen van de VOC in Zuidoost‑Azië en de WIC in wat nu Zuid‑Amerika is. Sigismund Pieter Alexander van Heiden Reinestein (1740–1806), zoon van de drost van Coevorden, had aandelen in een slavenplantage in Suriname.

Verketend Beeld staat ook stil bij Joannes Benedictus van Heutsz (1851–1924), bevelhebber in Nederlands‑Indië tijdens de Atjeh‑oorlog eind 19de eeuw. Twee jaar geleden leidde het debat over het slavernijverleden in de gemeenteraad van Coevorden tot vragen over het plaatselijke Van Heutsz‑park en het Van Heutsz‑monument.

Voorts schenkt het museum aandacht aan predikant en historicus Johan Picardt (1600–1670). In diens geschiedenisboek Annales Drenthiae (1660) stelde Picardt op basis van het verhaal over Noach in het Bijbelboek Genesis dat slavernij een geoorloofde christelijke activiteit was. Verketend Beeld is vanaf 17 januari te zien.

Hoe het kerstmis werd in Noordoost-Nederland. ‘Nou, vooruit dan maar’

In de Stadsschouwburg te Groningen woonde ik een reprise bij van het Adventsconcert van Holland Baroque en Daniël Lohues. Zijloge balkon 1 rij 4 stoel 14. Niet de beste plek. Alleen met aanhoudend buigen van kop en nek kon ik soms zien wat zich beneden op het podium afspeelde. Deed ik dat niet en luisterde ik slechts, soms met gesloten ogen, dan was het niet minder mooi.

Het ging er ontspannen aan toe in de schouwburg. Barok mag dan klassieke muziek zijn en om die reden vaak gepaard gaan met een bepaalde etiquette, bij Holland Baroque en Lohues, was het vooral aangenaam, lieflijk en gezellig. Goed gespeeld werd er ook, voor zover ik dat kan beoordelen, maar het was vooral fijn, onderhoudend en soms zelfs grappig.

Dat laatste was vooral te danken aan Lohues, die naast een groot muzikant ook een bijzonder verteller is. Waar hij heel goed in is, is grote dingen klein maken, en kleine dingen groot. Daarbij slaat hij een toon aan die mij doet denken aan Kees Meeuwissen, mijn meester in klas 4 en 5 van de Mariaschool.

Omdat ik niet alle concerten van Lohues afloop, de wereld is groot en het leven heeft veel te bieden, dat wordt althans beweerd, hoorde ik hem in Groningen voor het eerst vertellen over hoe het Kerstmis is geworden in het deel van de wereld dat nu noordoost-Nederland is:

,,Kerstmis is een feest van tradities. Dat doen we nu al zo lang”, begon Lohues. ,,Maar hoe lang? Eigenlijk pas sinds de mensen weten van Jezus. Daarvoor, toen de mensen die hier woonden niks van Jezus wisten, zo’n 700 jaar na Christus, was dit het gebied van de Saksen. Die hadden wel het midwinterfeest, en reken maar dat dat een feest was, maar er kwam geen Jezus bij kijken. Dat wisten ze niet en vonden ze ook niet erg.

Die Saksen waren eigenlijk geen volk, dat was een verzameling van stammen met overeenkomsten. Ze hadden ongeveer dezelfde taal, maar een eenheid was het niet. Tot uit het zuiden Karel de Grote kwam aanzetten met zijn leger. Karel de Grote was Christen, die wilde iedereen Christen maken, ook hier. De Saksen zeiden ‘Daar hebben we niks geen belang bij’ en toen werd het dikke oorlog.

Die Saksen hadden geen leger, want ze hadden geen leider. Ze moesten dus een leider hebben en toen kwamen ze bij Widukind, die werd de baas van de Saksen en stelde een leger samen met de allersterksten van het Saksenland. Nou, daar kun je vast wel wat bij voorstellen, dan heb heb je wat. Die zijn gaan houwen met het leger van Karel de Grote: dikke, dikke oorlog. Maar de Saksen konden het niet winnen.

Widukind werd gevangen genomen. Hij moest mee naar het kasteel van Karel de Grote en die zei: ‘Widukind, jij moet Christen worden. Jij moet en je zult Christen worden’. Widukind keek Karel de Grote aan en zei: ‘Wat dan?’ ‘Ja’, zei Karel de Grote, ‘anders gaat je hoofd eraf’. Toen kwam de ware Saksische aard in Widukind naar boven. Hij ging staan en keek Karel de Grote lelijk in het rechteroog en zei: ‘Nou, vooruit dan maar. Laten we dat maar doen’.

Daarna zette Holland Barok een bewerking van Lohues’ lied Widukind in.

De hierboven geplaatste foto is afkomstig van de afdeling marketing van Holland Baroque.

Deze partijen investeren volgens Kunsten ’92 in of bezuinigen op cultuur en media

Mooi op tijd voor de Tweede Kamerverkiezingen van volgende week ontving ik een persbericht van Kunsten ’92. Volgens de werkwijze van persbureau Knip & Plak mag ik aldus bekendmaken:

‘Inmiddels blijkt dat alle partijen in hun verkiezingsprogramma aandacht besteden aan kunst, cultuur, erfgoed en media. Kunsten ’92 heeft het culturele en creatieve hart van politieke partijen geanalyseerd, inzichtelijk gemaakt en na de doorrekeningen van het CPB gevisualiseerd.

De analyse van de verkiezingsprogramma’s en de doorrekening door het Centraal Planbureau (CPB) laten zien dat verschillende partijen extra investeringen in cultuur en media hebben opgenomen in hun verkiezingsprogramma.

Een aantal partijen zegt meer geld aan cultuur en media te willen besteden, maar vertelt niet hoeveel. En er zijn partijen die willen bezuinigen op cultuur en media.’

Voor meer klik hier.

Museum Collectie Brands staat met foto-expositie en verloting stil bij 100 jaar FC Emmen

Voetbalclub FC Emmen bestaat honderd jaar. Museum Collectie Brands in Nieuw-Dordrecht staat daarbij stil met een kleine foto-expositie, met vooral aandacht voor het seizoen 2018–2019, toen de club in de Eredivisie speelde. Citaat uit een persbericht: De foto’s, gemaakt door Paul Barelds, Gerrit Rijkens en Cor Lasker, leggen de emotie, trots en verbondenheid van de club en haar supporters op treffende wijze vast.’

Heel toepasselijk leidde de opening van de tentoonstelling eind vorige week tot een fotomoment. Daarbij overhandigde de directeur van FC Emmen, Rinse Bleeker (links), voor de camera van Cor Lasker het jubileumshirt van FC Emmen overhandigde aan Gerhard Vedder, secretaris van Museum Collectie Brands (rechts). De expositie is te zien tot en met 1 maart. Na afloop wordt het jubileumshirt verloot onder bezoekers.

Hoe voetbalclubs geld verdienen door plat te praten en zich voor te doen als boeren

Ook ik woonde vorige week het landelijke streektaalsymposium bij in voetbalstadion De Oude Meerdijk te Emmen. Dat was mede omdat ik met drie andere mannen een plek had in een panel waarin gediscussieerd mocht worden over streektaal in de media – je had erbij moeten zijn om er iets van op te steken.

Het hoogtepunt van het symposium zat wat mij betreft aan het begin van het symposium: een lezing van Kristel Doreleijers van het Meertensinstituut over onderzoek naar hoe voetbalclubs als PSV Eindhoven en Club Brugge met streektaal omgaan.

Doreleijers is niet alleen gepromoveerd op hoe jongeren het Brabants gebruiken als een hyperdialect – een overdreven soort Brabants – maar houdt daarnaast als taalwetenschapper en fan in de gaten hoe PSV via sociale media regelmatig een beroep doet op het Brabants en soms zelfs spelers vraagt om Brabants te spreken.

Die kunnen dat natuurlijk niet, maar het is wel lachen. Bovendien sluit het aan bij wat de fans wél kunnen: plat praten. Doreleijers: “Bij voetbalclubs is het gebruik van dialect een vorm van serious leisure. Sport is spel en cultuur, maar ook een politiek symbool en bovenal big business.

Ze ging uitvoerig in op de noodzaak dat clubs een ‘club-DNA’ hebben en supporters weten te binden. Brugge en PSV zijn clubs in de periferie en mede om die reden gebruiken ze ‘boeren’ als geuzennaam, terwijl de geschiedenis iets anders vertelt. Het werd geïllustreerd aan de hand van twee marketingvideo’s waarin het boerenimago wordt gecultiveerd: bij Brugge op een rurale manier, bij PSV op een meer urbane manier.

Clubs gebruiken streektaal in hun uitingen om een imagined community te creëren, vertelde Doreleijers. De rol die sociale media daarbij spelen is groot, omdat ze fans in staat stellen actief bij te dragen en mede-eigenaar te worden van het clubmerk. “Daarbij kan taalvariatie een marketingtool zijn. Je kunt Engels inzetten om internationaal over te komen, maar als je dialect of streektaal gebruikt, kun je je merk een lokaal tintje geven.”

Wat clubs doen, is taal gebruiken als accessoire bij het in de markt zetten van de club – zoals Emmen dat doet met #Hierkomikweg. “Clubs zijn actief op verschillende niveaus. Ze opereren lokaal, zetten zich af tegen clubs in de rest van het land – periferie tegen centrum – maar ook internationaal, waarbij ze ineens een heel land vertegenwoordigen.”

In het onderzoek van Doreleijers, dat ze samen met Ilias Vierendeels van de universiteit in Namen verrichtte, is gekeken naar taalpraktijken van clubs op sociale media, het gebruik van (streek)taal in marketingvideo’s en naar de ideologie erachter. “Zowel PSV als Brugge maakt gebruik van slachtofferschap, overwinning en essentialisme: het zit in ons bloed, dit is waar we thuishoren en waar we blijven.”

Voetbalclubs focussen expliciet op zichzelf door constant ‘de ander’ erbij te halen om zich vervolgens tegen af te zetten. “Het contrast met de andere club tekent de eigenheid. Dat zie je in de taal, in het gebruik van woorden als ‘wij’ en ‘hier’, in het discours van slachtofferschap, werkmentaliteit en uniciteit. De dynamiek tussen lokaal en globaal, dialect versus Nederlands en Engels, speelt bij veel meer clubs.”

Vraag is of streektaal serieus een podium krijgt in het voetbal, of dat het slechts decor is. “Het het blijft natuurlijk marketing, het blijft commercie” sprak Doreleijers. “Veel clubs worstelen met winstgevend moeten zijn, met shirtjes verkopen en het binden van lokale supporters.”

Architectuurprijzen voor Vier op een rij, Dudok aan het Diep en Maggie’s wereld

Twee nagekomen berichten, beide betreffende architectuur in Noord-Nederland. Nadat eerder al de Drentse Architectuurprijs werd toegekend aan het project ‘Vier op een rij’ aan de Thorbeckelaan in Assen van De Deur in Huis Architecten (foto boven) werden 3 oktober twee winnaars aangewezen van de Groninger Architectuurprijs.

En het zijn: ‘Dudok aan het Diep’ aan de Turfsingel in Groningen van IRIS architecten en Marseille Buiten en ‘Maggie’s Center’ aan de Vrydemalaan in Groningen van Marlies Rohmer Architecture & Urbanism en Piet Oudolf (onderste foto).

« Oudere berichten

© 2026 Woest & Ledig

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑