Over kunst en cultuur (in Drenthe en daarbuiten)

Categorie: Boeken (Pagina 1 van 170)

Voor de grijp in de bibliotheek: ‘Het Achterhuis’ en ‘Mijn strijd’

Van 19 tot en met 27 september vindt in Nederland de Week van het Verboden Boek plaats. Voor de tweede keer alweer: negen dagen waarop bibliotheken, boekhandels en andere leesorganisaties aandacht vragen voor leesvrijheid, censuur en boeken die ergens ter wereld verboden of onder druk staan.

In Emmen lijkt de week al begonnen, want bij Facet, voorheen de openbare bibliotheek, trof ik een ‘tafel’ aan waarop verboden en vermeend verderfelijke boeken uitgestald liggen. Afgaand op wat ik zag, zijn het er best veel: Ulysses van James Joyce, Das Kapital van Karl Marx, Brave New World van Aldous Huxley, Heartstopper van Alice Oseman, Simon vs. de verwachtingen van de wereld van Becky Albertalli.

Een prominente plek in Emmen heeft Het Achterhuis van Anne Frank gekregen. Voor zover mij bekend is dat boek nergens verboden, al doen wel verhalen de ronde dat sommige mensen in sommige plaatsen in de Verenigde Staten moeite zouden hebben met passages waarin Anne Frank over haar lichaam en intimiteit schrijft. De bezwaren zouden vooral leven binnen schoolbesturen.

Dagblad Trouw stond onlangs in de reeks Theologisch elftal stil bij het functioneren van schoolbibliotheken in Nederland. In het stuk wordt onder meer gemeld dat sommige christelijke scholen geen prijs stellen op boeken als ze gaan over magie, of als ze liberale opvattingen over seks en relaties uitdragen. Het Achterhuis wordt in dit verband overigens niet genoemd. De scholen worden ook niet bij naam genoemd.

Interessant in dit verband is wat emeritus hoogleraar publieke theologie Erik Borgman in de krant opmerkt: “Ik ben het oneens met de keuze die sommige scholen maken, maar ik vind het tegelijkertijd opvallend dat er zoveel verontwaardiging is over groepen die een afwijkende keus maken over wat ze wel en niet aan hun kinderen voorleggen.”

“Dat scholen mógen kiezen, ligt vast in de wet. Maar daarnaast móeten scholen ook kiezen. Ouders en organisaties nemen voortdurend beslissingen over wat wel en niet geschikt is in een levensfase. Dat hoort bij opvoeden. Dat het in de schoolbibliotheken om censuur zou gaan, vind ik dus flauwekul.”

“Ondertussen wil bijna iedereen graag maatregelen tegen schadelijke invloeden via social media, maar lijkt het telkens maar slecht te lukken om onze kinderen te beschermen tegen de bigtech‑algoritmes, en pornografisch en gewelddadig materiaal op internet. Waarom is dáár niet veel meer verontwaardiging over?”

Tussen de vermeend verderfelijke boeken in Emmen trof ik ook een exemplaar aan van Mijn strijd van Adolf Hitler, in de vertaling van Mario Molegraaf. Toen het boek in 2018 verscheen, leidde het tot een discussie of zo’n heruitgave niet verboden zou moeten worden. De uitkomst is bekend. Toen ik het boek ter hand nam om het in een beeld te kunnen fotograferen met Het Achterhuis, viel me op dat Mijn strijd nog niet was gelezen.

Leest ‘Willem Lodewijk van Nassau’ van Olaf van Nimwegen

Met in het achterhoofd de gedachte erover te schrijven voor Dagblad van het Noorden en misschien ook voor de Leeuwarder Courant lees ik het boek Willem Lodewijk van Nassau (1560-1620). Stadhouder van het noorden van Olaf van Nimwegen.

Het woord ‘misschien’ gebruik ik hier omdat Willem Lodewijk, graaf van Nassau-Dillenburg, vooral bekend staat als de vader van Friesland. Us Heit noemen ze hem daar. Het ligt daarom voor de hand dat iemand vanuit Fries perspectief zich over dit boek buigt. Ook is het denkbaar dat het boek vanuit Gronings perspectief wordt besproken, omdat Groningen toen én nu de meest prominente stad van het noorden is.

Tegelijkertijd doet die Friese of Groningse invalshoek onvoldoende recht aan zijn betekenis. Willem Lodewijk van Nassau was immers een van de grondleggers van de soevereine Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Ik citeer uit een persbericht:

“Willem Lodewijk waakte als stadhouder van de noordelijke provincies over de belangen van alle inwoners die aan zijn zorgen waren toevertrouwd: Friezen, Groningers, Ommelanders en Drenten. Als legeraanvoerder stond hij aan de wieg van de militaire hervormingen die de opstandelingen in staat stelden hun onafhankelijkheid op de Spaanse kroon te bevechten. Willem Lodewijks grootste prestatie als stadhouder is geweest dat hij twee provincies die elkaar traditioneel vijandig gezind waren, blijvend heeft weten te verankeren in de nieuwe staat waaruit het moderne Nederland is voortgekomen.”

Het is altijd weer leuk om over de vijandigheid tussen Friezen en Groningers te lezen. Ik ben evenwel vooral geïnteresseerd in wat hij voor Drenthe heeft betekend. Al lezende ben ik er inmiddels achter dat Willem Lodewijk een bepalende rol speelde in de ontwikkeling van Drenthe tijdens de Tachtigjarige Oorlog, met name op het gebied van militaire veiligheid, bestuur en religieuze hervorming.

Drenthe was rond 1600, vergeleken met andere delen van wat we nu Nederland noemen, een dunbevolkt en economisch zwak gebied, met weinig landbouwgrond en grote oppervlakten heide en veen. Het was er, jawel, woest en ledig. Tegelijkertijd had het een strategische ligging voor wie vanuit het westen naar het noorden wilde reizen of richting het gebied dat we nu Duitsland noemen.

Het kasteel Coevorden vormde de sleutel tot deze regio. Wie Coevorden beheerste, controleerde de doorgang naar het noorden, heette het. Toen Willem Lodewijk in 1596 stadhouder van Drenthe werd, versterkte hij om die reden Coevorden en zorgde hij voor een permanente verdediging van het gewest tegen Spaanse troepen. Met hetzelfde doel liet hij in 1593 de schans van Bourtange aanleggen.

Ik lees dat Drenthe onder zijn leiding heeft bijgedragen aan de oorlog door infanteristen en ruiters te leveren, en dat hij gereformeerde predikanten naar Drenthe stuurde om het gewest religieus te verbinden met de Republiek en de invloed van de katholieke kerk terug te dringen. De gevolgen daarvan zijn nog steeds merkbaar.

Nu weer verder lezen.

Met dank aan Dichters in de Prinsentuin, met dank aan Xavier Roelens

Ik kon dit jaar slechts een dag van festival Dichters in de Prinsentuin in Groningen bezoeken. De eerste dag was afgelast vanwege de warmte. De laatste dag was ik elders besteld en bezocht ik festival Zomerzinnen  Frederiksoord.

Maar op de dag dat ik er wel was, de tweede, zag ik toch maar mooi Xavier Roelens voordragen. Na afloop van zijn optreden op het theeveld schoot ik hem aan met een vraag over een gedicht dat hij had voorgelezen. Het was geschreven op basis van instructies om met de warmte om te gaan en meer speciaal de moedeloze zin  ‘Momenteel kunnen we niet veel meer doen dan dit’.

Roelens schonk mij zijn tekst. Zie hieronder. Als dank beveel ik van harte zijn dichtbundel Wildnissen. Lyrisch-ecologisch tractaat aan, waarin gedichten geen kop of staart hebben, maar in elkaar overlopen omdat alles met elkaar verband houdt en alles uit één hoofd komt, dat van Roelens, en alles wereldwijd in de soep dreigt te lopen.

Waarom Jac. P. Thijsse Amerika afwees en Menno ter Braak inspireerde

Ik lees een uitgave van De Arbeiderspers met op de rug de titel Waarom ik Amerika afwijs – Menno ter Braak. Op die titel valt iets af te dingen, want het boekje bestaat voornamelijk uit een essay van Daan Heerma van Voss dat voorafgaat aan Waarom ik Amerika afwijs.

Op bladzijde 10 schetst Heerma van Voss de context van wat hij een merkwaardig geschrift noemt aldus:

“Voor iedereen die geboren is na 1950: Waarom ik Amerika afwijs is een van Ter Braaks vroegste essays. (…) Voor iedereen geboren na 1980: Menno ter Braak was een Nederlands schrijver, essayist en cultuurcriticus, een van de belangrijkste intellectuelen van het interbellum. (…) Voor iedereen geboren na 2000: een essay is een tekst waarin wordt geprobeerd tot de kerk van iets te komen, terwijl de schrijver bij aanvang nog niet weet waar hij staat (…). Voor iedereen geboren na 2015: dit merkwaardige rechthoekige object dat u nu in handen heeft, is een boek.”

Na deze amuse volgt een verdomd interessante uiteenzetting die op bladzijde 42 eindigt, waarna het twintig bladzijden tellende essay van Ter Braak begint. Dat lezen valt niet mee. Ter Braak mag dan een intellectueel zijn geweest, hij was ook een modieus schrijver, met als gevolg dat zijn formuleringen niet meer zo soepel lezen.

Zie overigens ook dit stuk.

Gelukkig is er afleiding, want ik moet een gesprek voorbereiden tussen Dik van der Meulen en Eva Vriend; mij is gevraagd daar zondag leiding aan te geven tijdens festival Zomerzinnen in Frederiksoord. Daartoe lees ik De waterzoon van Vriend en Meester in het paradijs van Van der Meulen. Beide schrijven over Jac. P. Thijsse.

Thijsse (1865–1945) is nog steeds bekend als natuurbeschermer en schrijver van populaire boeken met daarin plaatjes van natuur en landschap. Op bladzijde 201 lees ik hoe hij tot het maken van die albums is gekomen. Dik van der Meulen schrijft het leuk op:

“In zijn rubriek voor het Algemeen Handelsblad schreef hij [Thijsse] dat er behoefte was aan goedkope natuurboeken. Iemand had hem aangeraden de Amerikaanse filantroop Andrew Carnegie aan te schrijven, maar daar verzette zijn Nationalgefühl zich tegen. ‘De Nederlandse vogels en het Nederlandse landschap behoren ons toe en wat ervan voor de nakomelingschap behouden zal blijven, dat behoeven wij niet van een Amerikaan cadeau te krijgen.’”

Uiteindelijk gaat Thijsse in zee met de firma Verkade en de illustratoren L.W.R. Wenckebach, Jan van Oort en Jan Voerman Jr. De boeken die zij maken worden een groot succes. Er komen niet alleen meerdere drukken, maar ook meerdere titels. Thijsse is er zeer bezig mee en doet een oproep aan lezers hem te vertellen hoe de natuur bij hen in de buurt ervoor staat.

Een van de reacties is van ene ‘Menno’ uit de Achterhoek, Menno ter Braak. Die zal later naam maken, niet als natuurliefhebber, maar als het literaire en morele geweten van zijn generatie. “Al zouden zijn bundels nooit de oplagen halen van de Verkade-albums en de andere boeken die Thijsse publiceerde,” schrijft Dik van der Meulen.

Daarna citeert hij van Ter Braak een herinnering aan het contact met Thijsse, waarin de cultuurcriticus de natuurbeschermer dankt voor de inspiratie: “het mystieke gevoel tot de officieele Thijsse-gemeente te behooren, met Thijsse te hebben mogen communiceren in de bonte wei, was voor mij een sensatie van den eersten rang.”

Nu weer verder lezen.

Nicolien Mizee, Eva Vriend, Dik van der Meulen, Merijn de Boer, Annet Schaap en anderen op Zomerzinnen

Nog een paar nachten zuchten en zweten: zondag 28 juni vindt Zomerzinnen plaats in Frederiksoord. Organisator Stichting Literaire Activiteiten Drenthe heeft De Proef gekozen als plek ‘waar lezers en liefhebbers, landelijke en regionale schrijvers, jonge talenten en gelauwerde makers elkaar ontmoeten’.

Het literatuur- en muziekfestival wordt om 11.00 uur geopend door cultuurgedeputeerde Yvonne Turenhout.

Merijn de Boer is dit jaar schrijver op locatie. Hij maakt op basis van een logeerpartij bij De Proef een exclusief boekje dat op Zomerzinnen wordt gepresenteerd. De Boer publiceerde meerdere romans en heeft een wekelijkse column in Tijdgeest van dagblad Trouw. Ook te gast is Nicolien Mizee, bekend geworden door haar ‘faxboeken’ en de roman Moord op de moestuin.

Dik van der Meulen en Eva Vriend voeren een tweegesprek over natuurbescherming, landschapsbelang en de bepalende rol die Jac. P. Thijsse (1865–1945) en zijn zonen hierin hebben gespeeld. Heilien Tonckens en Sietske Metz laten zien wat er groeit en bloeit in de tuinen van De Proef.

Ook op het programma staan een vertelvoorstelling van Annet Schaap en Fredrike Wind naar het boek Krekel van Schaap, en een lezing van Patricia Snel over haar roman De wees van Westerbeek. Judith Fanto vertelt en laat zien wat haar inspireerde tot het schrijven van de bestseller Narcis.

Voorts is er gelegenheid kennis te maken met deelnemers van De Aanzet, het nieuwe talentennetwerk voor Noord-Nederland waarbij vier literaire makers een jaar lang aan hun schrijverschap werken.

Ook aanwezig is Ilja Gort, auteur, wijnboer en televisiemaker. Hij is deze zomer ambassadeur van Zomerlezen en schreef het Zomerlezengeschenk Petit Café du Bonheur. Zie ook www.zomerzinnen.nl

Op de foto: De Proef gezien vanuit de lucht.

Flip van Doorn over zijn boek ‘Zeeland’ en over ‘De Friezen’

Sinds begin dit jaar beschikken Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant over een rubriek met de titel Mijn boek en ik. Iedere maand wordt daarin een schrijver aan het woord gelaten over zijn, haar of diens boek. Fictie of non-fictie, het maakt niet uit. Welbeschouwd is er maar één eis: het betreffende boek moet een band hebben met Drenthe, Friesland of Groningen.

Deze maand wordt Flip van Doorn aan het woord gelaten over zijn boek Zeeland. Citaat uit het stuk, dat vermoedelijk een dezer dagen online verschijnt en zaterdag op papier wordt verspreid: In Zeeland reconstrueert Van Doorn de geschiedenis van een afgelegen provincie. Geen chronologisch overzicht, maar een associatief en stromend verteld verhaal over land, water en identiteit.’

Waar Van Doorn voor zijn boek meermaals naar Zeeland reisde, en in Frankrijk met de fiets aan de hand op zoek ging naar de bron van de Schelde, reisde ik voor een interview naar zijn woonplaats IJlst – ik moest het opzoeken, het ligt bij Sneek. Siese Veenstra, vaste fotograaf van Mijn boek en ik, deed dat ook en fotografeerde bij de schrijver thuis onder meer een plankje met een aantal boeken van Van Doorn. Zie bovenstaande foto.

Hieronder een fragment dat niet in het interview staat, omdat het vooral over een eerder boek van de in Zeist geboren Van Doorn gaat: De Friezen.

Vonden ze het in Zeeland niet merkwaardig dat iemand uit Friesland een boek over Zeeland wilde schrijven?
“Ja, maar op een positieve manier. Zo van: ‘Wat fijn dat er iemand van buiten aandacht voor ons heeft.’ Toen ik met mijn boek De Friezen kwam, woonde ik hier al tien jaar, maar de reactie en ook de ontvangst van het boek waren echt van: ‘Wat kom jij ons vertellen?’ De houding was heel afwachtend – ik heb bijvoorbeeld van Omrop Fryslân nauwelijks aandacht gehad en ook de boekhandels waren in eerste instantie afwachtend.

De verkoop begon heel voorzichtig en ineens kwam het. Ik geloof dat ik uiteindelijk drie of vier weken in de Bestseller 60 heb gestaan, en de belangstelling blijft lopen. Vorige maand kreeg ik de elfde druk in huis en we zitten nu op 26.000 exemplaren. Maar in het begin was het allesbehalve: ‘Wow, er is een boek over de Friezen.’ In Zeeland gaat het anders. Daar liggen de stapels in de winkels en ik sta op de voorpagina van de PZC.

In jouw boek blijf je ver weg van zaken als de volksaard. Waarom?
“Omdat je dan heel gauw vervalt in clichés. Als je van buitenaf naar Friesland kijkt, zie je een Friese vlag, de Friese taal, de Friese identiteit. Maar als je er middenin zit, blijkt het heel divers te zijn. Bijna elk plaatsje in Friesland heeft zijn eigen variant op het Fries. De Friese identiteit is veel gelaagder en complexer dan van buitenaf lijkt. Dan kun je het wel hebben over de Fries – wat vindt de Fries of hoe is de Fries – maar dé Fries is er niet. Dat geldt voor de Zeeuwen ook.”

Wie zegt mij/ dat wij niet zijn/ een losse flodder Gods

Wim T. Schippers bracht in november 2022 een bezoek aan de talkshow Onder de Vulkaan in het Grand Theatre in Groningen. Hij gedroeg zich als hoofdgast, terwijl ook Annette Portegies en Ellen Ombre aanwezig waren. Net als van Schippers werd het overlijden van Ombre maandag bekendgemaakt.

Ik citeer uit een verslag van mijzelve in Dagblad van het Noorden:

Weinig mensen weten dat zijn wieg in Groningen heeft gestaan. „Maar ik wel”, interrumpeerde Schippers tijdens de talkshow Onder de Vulkaan zijn interviewers Roos Custers en Coen Peppelenbos in het Grand Theatre. „In de Numanstraat.”

Dat gezegd hebbende sprak de multikunstenaar erop los. Het ging over de slechte relatie met zijn ouders, over zijn wonderbaarlijke entree in de wereld van de beeldende kunst in de jaren zestig, over zijn toneelstukken, zijn activiteiten voor televisie en radio, vitamine B-complex als probaat middel tegen een kater, de pindakaasvloer, je eigen broek ophouden, de drol, Sjef van Oekel.

Hij liet zelfs heel kort het stemmetje van Ernie horen.

Uiteraard ging het ook over de performance van het leeggieten van een limonadeflesje in de zee bij Petten in 1961. „Dat kreeg heel veel aandacht”, vertelde Schippers. „Het was in het nieuws, er waren camera’s bij, het kwam in de krant. Het liet zien dat op de hoogte zijn van iets onaanzienlijks ook een culturele belevenis kan zijn.”

Schippers was destijds 19 jaar. Blaakte hij van zelfvertrouwen? Nee, hij was bezig met wat hij wilde maken. De woorden beroemdheid en bekendheid vielen meermaals. „Daar moet een kunstenaar zich niet mee bezighouden. Dat levert lelijke dingen op. En zeker geen plezier. Je moet zeker niet maken wat mensen willen zien, want de meeste mensen weten niet wat ze willen zien. Dan krijg je een statische cultuur.”

Terug naar Groningen. Schippers, een oorlogskind, wist zich niet alleen te herinneren dat zijn buren kwamen klagen toen hij voor zijn derde verjaardag een trommeltje had gekregen. Hij wist ook nog dat hij in 2008 was uitgenodigd om tijdens de nazit van festival Dichters in de Prinsentuin gedichten voor te dragen.

„Ilja Leonard Pfeijffer was erbij, die was toen nog niet beroemd en zei: ‘O, ben je nu ook al dichter?’ Zo van: ‘Wat doe jij hier nou?’ Ik vertelde hem dat ik was gevraagd omdat ik met gedichten van Wilhelmina Kuttje en Barend Servet in de bloemlezing van Gerrit Komrij was opgenomen. De volgende bloemlezing ben ik eruit gegooid. Omdat die werd samengesteld door, ja, Ilja Leonard Pfeijffer.”

Toen kwam de vraag of het weer eens tijd wordt voor een overzichtstentoonstelling in Nederland. Zou die tentoonstelling in Groningen te zien moeten zijn? „Ik zit er niet achteraan”, antwoordde Schippers.

Misschien moeten anderen dat eens doen.

Leest ‘Vaders en zonen’ van Ivan Toergenjev

Ter afwisseling of opfrissing, wie zal het zeggen, lees ik Vaders en zonen van Ivan Toergenjev uit 1862. Jaren geleden las ik het boek ook al, toen ik nog een bleke jongeling was. Bleek van het blowen en weinig buitenlucht vermoedelijk. Ik weet het niet meer, dat krijg je ervan.

Destijds was Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov mijn favoriete personage. Toergenjev zet deze dokter in opleiding neer als een nihilist, iemand die elke autoriteit afwijst, maar wél geïnteresseerd is in de wetenschap. Hij is iemand die de moed heeft nergens in te geloven. Iemand die, als hem tijdens een gesprek wordt gevraagd of hij ‘de mening’ deelt, zegt dat hij niemands meningen deelt, maar er de zijne op nahoudt.

Bazarov vertegenwoordigt in Vaders en zonen de ‘nieuwe generatie’, de jeugd die het anders gaat doen. Beter ook. Dat sprak mij destijds bijzonder aan, al kan ik mij niet meer herinneren dat ook ik het anders wilde gaan doen. Wat ik nog wel weet, is dat ik zeer geïnteresseerd was in mensen en bewegingen die iets nieuws nastreefden. Toen ik Vaders en zonen van Toergenjev las, was ik journalist in opleiding.

Aan het begin van hoofdstuk 11 staat Toergenjev stil bij Nikolaj Petrovitsj Kirsanov, de vader van Arkadi, vriend van Bazarov. Er heeft een discussie plaatsgevonden waarin Bazarov zich nogal heeft doen gelden:

‘Een half uur later begaf Nikolaj Petrovitsj zich naar de tuin, naar zijn geliefde prieeltje. Hij was van droeve gedachten vervuld. Voor het eerst was hij zich duidelijk bewust van de kloof tussen hem en zijn zoon, en hij voorvoelde dat die met de dag dieper zou worden.

Het was dus waarschijnlijk voor niets geweest dat hij die winters in Petersburg hele dagen over de nieuwste boeken gebogen had gezeten. Voor niets had hij naar de gesprekken van die jonge lui zitten luisteren, voor niets zich verheugd af en toe ook een woordje aan hun heftige gesprekken te kunnen toevoegen.

Mijn broer zegt dat wij het bij het rechte eind hebben, dacht hij. En als ik ieder gevoel van eigenwaarde erbuiten laat, dan denk ik zelf ook dat zij verder van de waarheid verwijderd zijn dan wij. En tegelijkertijd voel ik dat zij iets hebben dat wij niet hebben. Dat zij iets op ons voor hebben. Een jeugd? Nee, niet alleen een jeugd.

Zou het soms zijn dat zij minder aristocratische trekjes hebben dan wij? Nikolaj Petrovitsj boog zijn hoofd en streek over zijn gezicht. Maar de poëzie verwerpen, dacht hij weer. Geen gevoel voor kunst hebben, voor de natuur. En hij keek om zich heen alsof hij wilde begrijpen hoe het mogelijk was dat iemand geen gevoel had voor de natuur.

Het werd al avond. De zon verdween achter een klein espenbosje dat een halve werst van de tuin lag en een eindeloos lange schaduw over de onbeweeglijke velden wierp. Een boertje op een wit paard reed in lichte draf over het smalle donkere weggetje langs het bosje. Hij was heel duidelijk te zien, helemaal, tot het ingezette stuk op zijn schouder toe.

Zonnestralen drongen op hun beurt het bosje binnen, werkten zich door het kreupelhout heen en overgoten de stammen van de espen met zo’n warm licht dat ze op berkenstammen gingen lijken. En de bladeren waren als blauw en daarboven spande zich de bleekblauwe hemel, die iets rood was getint door de zonsondergang. De zwaluwen vlogen heel hoog, de wind was geheel gaan liggen. Wat later zoemden bijen lui en slaperig tussen de bloeiende seringen. Een zwerm muggen danste boven een eenzaam ver uitstekend takje.

God, wat mooi, dacht Nikolaj Petrovitsj. En geliefde versregels wilden hem op de lippen komen.’

Bazarov is nog steeds een zeer intrigerend personage. Maar anders dan toen voel ik mij inmiddels veel meer verwant met Nikolaj Petrovitsj. Ook dat is vooruitgang.

Decennialang gold Etty Hillesum als niet interessant voor Nederland, want ‘te filosofisch’

Afgelopen zaterdag zond de NPO de eerste aflevering uit van Etty, een televisieserie gebaseerd op het leven en de nagelaten teksten van Etty Hillesum. Regisseur van de internationale productie, Hagai Levi, heeft bijzonder werk afgeleverd.

Opvallend is de vrouw die Etty speelt: Julia Windischbauer, een indrukwekkende actrice uit Oostenrijk die in staat blijkt prachtig Nederlands te spreken. Opvallend is ook het decor van de reeks: het Amsterdam van nu, waardoor overeenkomsten worden gesuggereerd tussen de Tweede Wereldoorlog en de huidige tijd, en waardoor ‘Etty Hillesum’ mogelijk een nieuwe generatie kan inspireren.

Al kijkend probeerde ik mij te herinneren hoe het ook alweer zat met de publicatie van de teksten van Hillesum. Zelf leerde ik ze in 1984 kennen via het boek In duizend zoete armen. Als snel daarna kwam ik erachter dat drie jaar eerder Het verstoorde leven was verschenen, het dagboek dat de jaren 1941, 1942 en 1943 bestrijkt.

In het boekje Etty Hillesum in facetten beschrijft Klaas A.D. Smelik, de zoon van de Klaas die in de televisieserie door Gijs Naber wordt gespeeld, hoe zijn vader in 1946 of 1947 elf schriftjes plus een bundel brieven bezorgd krijgt met de opdracht deze uit te geven. Dat blijkt erg lastig: hij kan om te beginnen het handschrift niet lezen.

Een halfzuster van Klaas A.D. Smelik kan dat wel. Zij typt een deel over, waarmee vader Klaas de boer op gaat. Niemand wil het uitgeven; het wordt gezien als te filosofisch. ‘Het zijn de jaren vijftig: over de oorlog wordt niet nagedacht, de oorlog wordt herdacht’, schrijft de zoon. ‘Nederlanders willen lezen hoe slecht de Duitsers waren en hoe goed de Nederlanders.’

In 1962 blijkt uitgeverij Bert Bakker een klein boekje op de markt te hebben gebracht: Twee brieven uit Westerbork. Het gaat om een heruitgave van wat tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1944 illegaal is gedrukt en verspreid onder de titel Drie brieven van den kunstschilder Johannes Baptiste van der Pluym (1843–1912).

Het heruitgave van Twee brieven uit Westerbork verkoopt nauwelijks. ‘Spoedig ligt de rest van de oplage bij De Slegte’, schrijft zoon Smelik. ‘Het beste wat Etty heeft geschreven, het beste wat ooit over Westerbork op papier is gezet, blijft in die jaren zo goed als onopgemerkt en wordt verramsjt.’

Vader Smelik geeft het op om de teksten van Etty Hillesum uitgegeven te krijgen, maar zijn zoon zet door. In 1979 heeft hij beet na een ontmoeting met Jan Geurt Gaarlandt van uitgeverij De Haan. Gaarlandt vertelt vooral geïnteresseerd te zijn in de filosofische kant van de oorlog.

‘Wanneer hij dit zegt, begrijp ik dat nu het ogenblik gekomen is’, schrijft zoon Smelik in Etty Hillesum in facetten. ‘Het zijn niet de mensen die de oorlog bewust hebben meegemaakt die zich de gedachten van Etty Hillesum zullen eigen maken. Het is de generatie erna die wil verstaan wat hier gebeurd is, die het wezen wil begrijpen van de strijd die is gevoerd.’

Bijgaande foto’s tonen het omslag en titelblad Drie brieven van den kunstschilder Johannes Baptiste van der Pluym (1843–1912), zoals in 2023 door Bubb Kuyper in Haarlem ter veiling is aangeboden.

« Oudere berichten

© 2026 Woest & Ledig

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑