Over kunst en cultuur (in Drenthe en daarbuiten)

Auteur: woestenledig (Pagina 2 van 21)

Over kunst met textiel, Museum Arnhem, beeldvorming en de emancipatie van mannen

In de miniserie Bauhaus – Die Neue Zeit worden vrouwelijke studenten, ondanks het vooruitgangsstreven, onder politieke druk ‘gestimuleerd’ om zich te richten op textiele werkvormen. Die afdeling is uitstekend opgezet, betoogt directeur Walter Gropius. Het is een stap terug, oordeelt studente Dörte Helm.

Aan de serie van regisseur Lars Kraume moest ik denken toen ik onlangs in Museum Arnhem de tentoonstelling Draadkracht – Handwerk als statement bezocht, een expositie die met oud en nieuw werk laat zien hoe handwerk verhalen over identiteit, emancipatie en duurzaamheid kan vertellen.

Als bezoeker van tentoonstellingen kom ik de laatste jaren opvallend veel kunst tegen die met textiel wordt gemaakt. Dat kan aan mij liggen; wellicht heb ik er oog voor ontwikkeld. Maar het kan ook zijn dat het materiaal is herontdekt, vooral door makers die als tegenwicht voor de versnelling kiezen voor de vertraging van het handwerk.

Draadkracht – Handwerk als statement geeft een prachtig beeld van wat vroeger en nu met naald en draad aan kunst wordt gemaakt. Dat dit in Arnhem te zien is, is mede te danken aan de tijd dat Liesbeth Brandt Corstius (1940 – 2022) het museum aan de Rijn leidde. Zij had altijd oog voor kunst gemaakt door vrouwen. Naast textiel, sculpturen en schilderkunst ging het daarbij ook om sieraden.

Afgaand op de namen van de kunstenaars van wie nu werk in Arnhem te zien is, blijft werken met textiel grotendeels een vrouwenzaak. Het kan zijn dat ik iemand over het hoofd heb gezien; tijdens mijn bezoek kwam ik slechts twee mannen tegen. Een vader die zijn dochtertje aan het werk zette en een man die voortdurend op zijn telefoon keek.

Zelf keek ik geamuseerd naar de werken van een kunstenaar met de naam Theodorus Johannes. Volgens het begeleidende tekstbordje borduurt de kunstenaar scènes van alledaagse momenten op oud Nederlands linnen: dingen die mensen op straat tegen hen zeggen, soms vriendelijk, soms afwijzend. “De werken tonen hoe kleding en uiterlijk een krachtige vorm van zelfexpressie zijn, en hoe handwerk dat nog verder kan versterken.”

Bij de tentoonstelling ‘Kleine wereld, brede horizon’ met foto’s van Harry Cock

Vele malen heb ik hier geschreven over de oude dierentuin van Emmen, inmiddels beter bekend als het Rensenpark. En vele malen zat in die berichten een teleurstelling verborgen over het niet‑nakomen van beloften, over gemiste kansen, over gepruts en geknoei, over besluitenloosheid.

Kortom, over de dynamiek die Emmen typeert en waarover het geen enkele zin heeft je druk te maken, omdat het toch niet verandert.

En toch gebeuren er in dat Rensenpark soms ook aardige dingen. Zoals de jaarlijkse fototentoonstelling van stichting Pentafoor in het deel van her park waar vroeger elanden liepen.

De eerste Pentafoor-tentoonstelling was overigens niet in het park, maar boven het Marktplein; ik herinner mij tekeningen van Siegfried Woldhek. Vorig jaar was in het park werk te zien van Saskia Boelsums. Voor volgend jaar wil ik pleiten voor Sake Elzinga.

Dit jaar zijn foto’s van Harry Cock te zien onder de noemer Kleine wereld, brede horizon – een aanduiding die veel zegt over het werkgebied van Cock: Noord‑Nederland, inclusief Zuidoost-Drenthe.

Ik citeer een zin uit een tentoonstellingstekst: ‘Het fotografenoog maakt het onaanzienlijke ontroerend.’

Woordenboeken tellen vele omschrijvingen en synoniemen voor ‘het onaanzienlijke’: klein, gering, miniem of onbeduidend, niet opvallend, bescheiden, van lage afkomst, onbelangrijk, onbetekenend, nietig, gering. Niets daarvan is van toepassing op de foto’s van Harry Cock.

Het woord ontroerend daarentegen wel.

Gevonden: een ontbrekende prent op ‘Beauty of the Beast’ in DM De Buitenplaats

Eindelijk kwam ik ertoe om de tentoonstelling Beauty of the Beast te bezoeken in Drents Museum De Buitenplaats te Eelde. Daar is te zien hoe rond 1900 dieren als inspiratiebron dienden voor de makers van de ‘nieuwe kunst’.

Ik bezocht de tentoonstelling in gezelschap van collega Miranda ten Wolde. Ter gelegenheid van de DVHN Zomertour vervoerde ze mij even later voor dit verhaal per Citroën 2CV, in de volksmond een ‘Eend’, naar het Internationaal Klompenmuseum, ook in Eelde.

Misschien wel omdat het haar eerste bezoek was aan DM De Buitenplaats, was Ten Wolde extra scherp. Ze ontdekte een ontbrekend werk in de afdeling Volière: een kleurenlithografie van het kalenderblad van maart uit de Vogelkalender voor 1905 van Theo van Hoytema.

Navraag bij de balie leerde dat de samenstellers van Beauty of the Beast wel alle andere maanden in het depot hadden gevonden, maar niet die van maart. Hoe ze ook keken en zochten, het blad kwam niet boven water in de 90.000 objecten tellende collectie. Een museumedewerker vertelde het met enige schroom.

Verderop in de tentoonstelling hangt een aantal reproducties. Meestal vind ik dat een teken van armoede voor een serieus museum, maar soms kan ik het begrijpen, zeker als het om zeer kwetsbare werken gaat die wel deel uitmaken van het te vertellen verhaal, maar niet getoond kunnen worden.

Juist vanwege die reproducties bevreemdt het mij dat geen moeite is gedaan om het ontbrekende kalenderblad alsnog toe te voegen. Heel moeilijk is dat niet. Wie een beetje thuis is op de website van het Rijksmuseum in Amsterdam, weet ’m te vinden: Kalenderblad maart met twee hanen van prentmaker Theo van Hoytema (1863–1917).

Beauty of the Beast is voor het overige een prima tentoonstelling. Niet heel groot, maar in combinatie met de tuin bij het museum en een bezoek aan het Nijsinghuis een leuke uitstap. Niet in de laatste plaats vanwege het olieverfschilderij Kreeft van de door mij bewonderde ‘visschenschilder’ Gerrit Willem Dijsselhof (1866–1924).

Bezocht Sonsbeek 2026: Ik hoef geen tuin, ik deel een park (3)

Een van de meest in het oog springende werken van de tentoonstelling Sonsbeek 2026 in Arnhem is afkomstig van de in Bangkok geboren kunstenaar Korakrit Arunanondchai. Het bevindt zich deels – als installatie – in het Sonsbeekpark en deels – als film – in kunstruimte Post aan de Weverstraat.

Om er iets van te kunnen bevatten, is het raadzaam om met de film te beginnen. Die duurt ongeveer twintig minuten en speelt zich, aldus het tekstboekje bij de tentoonstelling, af in 2016, tussen het verzet tegen het presidentschap van Trump in de Verenigde Staten en de nationale rouw na de dood van koning Rama IX in Thailand. Ik citeer:

‘Te midden van deze beladen gebeurtenissen introduceert Arunanondchai zijn overleden grootmoeder Tipyavarna Nitibhon, die in tedere details wordt geobserveerd in haar woonkamer in Bangkok. Terwijl haar geheugen vervaagt, overleven de objecten die zij vastpakt de herinneringen die ze ooit betekenis gaven.’

Is daar nog iemand? Zo ja, dan ga ik verder. Zo nee, dan ook.

‘Het werk verbindt de cyclus van boeddhistische wedergeboorte met de onsterfelijkheid van de technologie. Het stelt de vraag of gedigitaliseerde herinneringen veranderen in iets nieuws, of uiteindelijk verdwijnen. In de film zien we een post‑apocalyptische wereld bevolkt door de Naga (heilige, halfmenselijke slangachtige wezens), belichaamd door Tosh Basco, en een mensgrote rat.’

In het Sonsbeekpark kan vervolgens de post‑apocalyptische wereld daadwerkelijk worden bezocht, middels een soort tuin die is opgebouwd uit rotzooi, takken en troep op een bedje dat er verontrustend teerachtig uitziet. Alsof er een explosie heeft plaatsgevonden. Arunanondchai heeft onmiskenbaar zijn uiterste best gedaan de kunstkijker een onbehaaglijk gevoel te bezorgen. Bedankt daarvoor.

Als de samenstellers van Sonsbeek 2026 iets duidelijk lijken te willen maken, dan is het dat het streven naar schoonheid in de kunsten plaats heeft gemaakt voor het etaleren van persoonlijke processen en onderzoek naar onnavolgbare mechanismen die stellen dat de werkelijkheid niet na te vertellen complex is geworden en zich vanuit alle werelddelen en culturen aan ons opdringt.

Tot slot nog even terug naar kunstpodium Post. Na het zien van de video van Arunanondchai kunnen ook daar video’s worden bekeken van een collectief dat zich Forensic Architecture noemt. Het collectief vertelt over een interviewtechniek waarbij betrokkenen hun ervaringen van traumatische gebeurtenissen reconstrueren en ‘ruimtelijk maken’.

Aanvullend citaat: ‘In deze presentatie is er aandacht voor zintuiglijke herinneringen, maar ook voor herinneringen die van generatie op generatie worden doorgegeven. Er zijn films te zien waarin deze methode wordt toegepast, schetsen die tijdens interviews zijn gemaakt en verzamelingen van digitale objecten die onderzoekers gebruiken bij het maken van reconstructies.’

Waar ik desondanks behoorlijk van onder de indruk was, waren pogingen om gebeurtenissen in Palestina te reconstrueren waarbij dorpen zo grondig zijn vernietigd dat het nauwelijks meer te bewijzen is dat ze ooit hebben bestaan. En dan hebben we het niet alleen over wat recentelijk in Gaza en in andere delen van Palestina heeft plaatsgevonden, maar ook over wat in 1948 is gebeurd, kort na het uitroepen van de staat Israël.

Zo alles bij elkaar is Sonsbeek 2026 al met al toch een indrukwekkende tentoonstelling. Heel veel grijpt in elkaar en houdt onderling verband. Dat levert geen vrolijke bedoening op, en biedt geen mogelijkheid tot escapisme, maar leidt naar een jungle waar geen kapmes meer helpt, laat staan het Jonge Woudlopers Handboek.

De onduidelijke posters die her en der in Arnhem op billboards langs de weg zijn geplaatst, spreken in die zin boekdelen.

Zo dus. En dan straks naar Into Nature.

Bezocht Sonsbeek 2026: Ik hoef geen tuin, ik deel een park (2)

Het motto van de tentoonstelling Sonsbeek 2026 – ‘Ik hoef geen tuin, ik deel een park’ – is ontleend aan het vanuit Arnhem opererende slogancollectief Loesje. Dat heeft een locatie toegewezen gekregen bij het Rembrandt (film)theater aan het Velperplein. Ter plekke blijkt het te gaan om een verwaarloosde etalage met posters die zo slordig zijn opgehangen dat het neerkomt op anti‑reclame.

Het vermoedelijk meest populaire kunstwerk van de tentoonstelling bevindt zich bij het stadhuis. Annie‑Mie van Kerckhoven heeft daar een spiraalvormige installatie gebouwd met plastic potten waarin verschillende bloeiende planten zitten. Bij haar Mystiek hexagram past een Loesje‑achtig motto: ‘Bij afwezigheid van een park, deel ik een perk.’

Een plek om Sonsbeek 2026 op waarde te kunnen schatten is ondertussen Museum Arnhem. Een paar jaar geleden was ik niet erg onder de indruk van de verbouwing, maar nu ervoer ik mijn bezoek als iets geweldigs, misschien wel juist omdat in het museum in beeld en woord duidelijk wordt gemaakt wat er op dit moment in de kunstwereld speelt en waar Sonsbeek 2026 in wezen over gaat.

Ik citeer daartoe een zaaltekst onder de kop ‘Verandering begint met verbeelding’: ‘Met kunst reageren mensen op de wereld om hen heen. De kunstenaars reageren kritisch op de tijdgeest, vaak vanuit hun persoonlijke visie. Hun werk laat een wereld zien die te maken heeft met klimaatverandering, politiek geweld en maatschappelijk onrecht.’

In het museum is een aantal werken te zien van Sonsbeek‑kunstenaars die ook elders in de stad exposeren. De in Yogyakarta geboren Ipeh Nur komt op zaal veel beter tot haar recht dan bij Omstand, juist omdat haar kunst in het museum als onderdeel van de tentoonstelling Bakudengar (Luister naar elkaar) wordt getoond in een context met andere kunstenaars die zijn geïnspireerd door wat in Nederland lange tijd voormalig Nederlands‑Indië is genoemd.

De in Brazilië geboren Jota Mombaca heeft een onduidelijke installatie in het Sonsbeekpark staan – ‘een rotsachtige zangeres, een architectonisch element en een geluidslandschap dat de ruimte vult’ oftewel een van vier hoofdstukken uit een niet‑chronologische operaserie’ – maar blijkt in het museum een zeer vakkundig kunstenaar die onder meer met papierpulp overtuigende sculpturen kan maken.

Na het zien van de prachtige tentoonstelling Naakt dat raakt, over hoe kunstenaars het naakte lichaam gebruiken om thema’s als vrijheid, identiteit en ongelijkheid te bespreken, is ook het beeld van de naakte transvrouw Puppies Puppies in het Sonsbeekpark veel beter te bevatten en te bewonderen. Gedachteflits: wie Sonsbeek 2026 wil bezoeken doet er verstandig aan niet in het park, maar in het museum te beginnen.

Morgen opnieuw meer.

Bezocht Sonsbeek 2026: Ik hoef geen tuin, ik deel een park (1)

Aangemoedigd door twee recensies – een in de Volkskrant en een in NRC – bezocht ik de tentoonstelling Sonsbeek 2026 in Arnhem. De recensies hadden mijn verwachtingen behoorlijk opgeschroefd. Er zou sprake zijn van een toekomstgerichte doorstart. Mij viel het aanvankelijk een beetje tegen. Maar dat deed het in 2021 ook al.

Het begon er dit keer mee dat ik per abuis het Nederlands Watermuseum als startpunt zag. Bij de kassa van dit museum wisten ze niet waar ik het over had. Sonsbeek‑tentoonstelling? Nooit van gehoord. Tot zover de lokale inbedding van deze ooit fameuze kunstmanifestatie. Molenplaats Sonsbeek kenden ze wel; dat bevond zich even verderop. En inderdaad, daar werden plattegronden verstrekt, met indien gewenst een boekje met begeleidende teksten à 3 euro.

De dertiende editie van Sonsbeek telt kunst op verschillende locaties in Arnhem. De hoofdmoot bevindt zich in het park. Ik citeer: ‘Achttien kunstenaars presenteren bestaande en nieuwe werken waarin herinnering geactiveerd wordt als collectief materiaal. We nodigen je uit om overgeleverde verhalen ter discussie te stellen en samen met ons een weg te vinden naar een gedeelde toekomst.’

Dat is op papier mooi en goed bedoeld, maar hoe de beelden dat in de praktijk voor elkaar krijgen, is een heel ander verhaal. De wandeling door het park is prachtig, maar de meeste kunstwerken die ik trof vragen opvallend veel lees- en denkwerk. Het boekje met begeleidende teksten dient daarbij als hulpmiddel, maar bevat zoveel vaagtaal van het artistiek team dat het kijken erbij inschiet.

Wat te denken van wat over de boekenloze Verwantschapsbibliotheek van Afiane de Jong wordt geschreven: ‘Afaina de Jong is een ruimtelijk denker en maker wiens (sic) overlappende kunst-, design- en architectuurpraktijk de stad op intersectionele en interdisciplinaire wijze benadert. Haar werk verbindt theorie en onderzoek met ontwerp als feministische praktijk, die maatschappelijke verandering aanmoedigt en ruimre maakt voor verschillen.’

Nu ik dit heb genoteerd, wil ik meteen opmerken dat de tentoonstelling voldoende interessante ‘dingen’ biedt. Zoals vaker opgemerkt: je kunt een goede tentoonstelling maken met slechte kunst, maar je kunt ook een slechte tentoonstelling maken met goede kunst. Los daarvan is en blijft het geweldig dat je ergens naartoe kunt en achteraf met genoegen mag terugkijken op de kortstondigheid.

Los van de kunstwerken is dat te danken aan toevallige praatjes met medebezoekers. Zoals met een oudere man met een in Arnhem afgeronde kunstopleiding, die zich verbaasde over – en ook ergerde aan – het (on)vermogen van een nieuwe generatie kunstenaars om complexiteit om te zetten in krachtige beelden.

Zoals met een man met de ziel onder zijn arm, die een sculptuur van een transpersoon, gemaakt door Jade Guanaro Kuriki‑Olive, een transvrouw, twospirit‑persoon en kunstenaar van Puerto Ricaanse en Japanse afkomst – alias Puppies Puppies – aangreep voor een heel lang verhaal over zijn ervaring met een transpersoon. De man had niets tegen transpersonen, maar wel grote moeite met de onduidelijkheid en verwarring die bij hem teweeg wordt gebracht.

Soms zit het in ontmoetingen met verlegen vrijwilligers die menen zich te moeten verontschuldigen voor de ‘moeilijke kunst’ waar ze op mogen passen. Wat ook fijn is, is dat je als bezoeker op plekken belandt waarvan je niet wist dat ze bestaan. Zo bezocht ik een voormalige elektriciteitsfabriek aan de Van Oldenbarneveldtstraat: kunstpodium Omstand.

Op deze locatie, gelegen in een omgeving die wordt omgevormd tot spannende woon- en werkplek voor creatief Arnhem, werd werk getoond van Ipeh Nur en Jumana Manna. Over Nur later misschien meer, maar over dat van Manna wordt geschreven dat ze in haar werk ‘macht onderzoekt via het lichaam, land en materialiteit, vooral in relatie tot koloniale erfenissen en plaatsgebonden geschiedenissen’.

Dat is inderdaad ruim geformuleerd en daardoor altijd passend. Maar als kijker kun je er zoveel kanten mee op dat je verdrinkt in de vele mogelijkheden en verwijzingen. Waardoor je opnieuw wordt gedwongen het tekstboekje ter hand te nemen, om er al lezend achter te komen dat wat in Palestina gebeurt even tragisch als gelaagd en op een ongewenste manier fascinerend is.

Ja, ook dat is ruim geformuleerd.

Morgen meer.

Op bezoek in het vernieuwde museum Beelden aan Zee in Den Haag

Omdat ik ergens gelezen had dat Museum Beelden aan Zee is vernieuwd, besloot ik er een kijkje te nemen. Ik was toch al in Den Haag.

Bij de kassa werd ik geconfronteerd met een toeslag van 3 euro op mijn Museumjaarkaart. Waarom werd mij niet duidelijk; ik vroeg er ook niet naar. De toeslag verviel toen mijn medemuseumganger een VriendenLoterij VIP‑kaart liet zien. Een affiche bij de kassa meldde dat mensen zonder kaart 22 euro moesten betalen.

Op de website van het museum waren mij vooraf vier tentoonstellingen beloofd, plus een opnieuw ingericht buitendeel. Eenmaal binnen viel mij vooral de leegte in het museum op. Er stonden wel beelden – uitstekende beelden van de mij onbekende Rui Chafes en de beroemde Alberto Giacometti; hun werk reageert op elkaar – maar het waren er zo weinig dat de hoofdzaal aan een prikkelarme omgeving deed denken.

Ook de tweede tentoonstelling oogde bescheiden. Birthland heet de expositie met voornamelijk houten beelden van Femmy Otten. Blikvanger is een liggende naakte vrouw op een plank, met op haar voeten een baby. Het zal mijn gemoed zijn, maar mij deed het geheel denken aan de dood. Het was alsof moeder en kind opgebaard lagen, in afwachting van een reis naar daar waar je nooit meer vandaan komt.

Achterin het museum werden nu sculpturen van liggende figuren getoond, veel vrouwen uiteraard – de kunstwereld feminiseert snel, maar ook weer niet zo snel. Het meest genoot ik van een beeld van Hans Op de Beeck, vermoedelijk omdat ik zijn hand er meteen in herkende, oefening baart kunst: Aline, een asgrijs meisje dat met ontbloot bovenlijf poseert bij een koffiebeker, een pakje sigaretten en een asbak.

Hoe ze het voor elkaar hebben gekregen, is mij een raadsel, maar de sfeer in het museum bleef prikkelarm – zeer aangenaam. Terwijl er toch veel te zien was. Zoals een film over Giacometti, die suggereerde dat hij zelfportretten maakte. Zoals in het buitendeel een dubbele strandstoel van metaal met uitzicht op een lager gelegen terras én de Noordzee met zijn windmolens. Zoals werk van de Hongaarse kunstenaar Ede Telcs en zijn Nederlandse leerling Geurt Brinkgreve.

Nu ik dit zo opschrijf, bedenk ik mij dat ik gedurende mijn bezoek steeds meer beelden in het museum ben gaan zien. Zelfs bij het verlaten van het museum ontdekte ik er een die ik bij binnenkomst blijkbaar over het hoofd had gezien: Revolution Kid van Yinka Shonibare. Een jaar geleden stond de gewapende vos nog prominent in het Drents Museum.

Thomas Azier in gesprek met Gijs Groenteman over kunstenaars in tijden van big tech

Thomas Azier was onlangs te gast in de podcast van Gijs Groenteman. En omdat ik Azier een goed kunstenaar vind, vooral omdat hij zo zijn eigen gang gaat, luisterde ik met aandacht. Dat werd beloond. Zie hieronder.

Gijs Groenteman: Thomas, leuk dat je er bent. Je hebt je keyboard meegenomen?

Thomas Azier: Ik dacht: het is misschien wel leuk om gewoon wat dingen te laten horen. Dat praat ook wat makkelijker. Muziek vind ik moeilijk om over te praten.

Gijs Groenteman: Talking about music is like dancing about architecture.

Thomas Azier: Exact, en vaak is dat ook de schoonheid van muziek. Dat we er heel veel woorden op kunnen plakken, en heel veel blablabla, maar uiteindelijk is het: je voelt het of je voelt het niet.

Gijs Groenteman: Als je het allemaal zou kunnen beschrijven, zou je geen muziek hoeven maken.

Thomas Azier: Precies. Het is vaak heel moeilijk, helemaal met mijn werk. Mijn essentie is niet te vatten in een tienseconden‑Instagramreel. En dat is ook gelijk de complexiteit.

Gijs Groenteman: Vind je dat lastig in deze tijd?

Thomas Azier: Ja, omdat dat eigenlijk het enige is wat van je wordt gevraagd. En vervolgens wordt op een bepaald moment succes gemeten aan data. En als je die cijfers niet hebt, dan wordt gezegd dat het komt doordat je niet te vangen bent in een essentie van tien of dertig seconden. Wat natuurlijk heel raar is, want als mens zijn wij niet te vangen in dertig seconden. Sterker nog: we zijn veel complexer dan dat.

Gijs Groenteman: Ik heb het idee dat er ook wel, zeker onder jonge mensen, een soort tegenbeweging aan de gang is. Ik ken jongeren, bijvoorbeeld mijn zoon, die heel intensieve filmliefhebber is geworden. En gewoon films van A tot Z kijkt, zonder telefoon. Hij leest. Sowieso is vinyl natuurlijk ook heel populair onder jonge mensen, bij uitstek een drager om iets in zijn geheel te consumeren en niet de hele tijd door te zappen. Dus ik heb het idee dat er onder jongeren misschien juist weer een soort liefde bestaat voor het volledig consumeren van kunst. Dat zeg ik ook om jou een klein hart onder de riem te steken, dat je zaak nog niet verloren is.

Thomas Azier: Wat ik zie, is dat heel veel mensen op zoek zijn naar wat in het Engels heel mooi ephemerality heet. Dus tijdigheid, vluchtigheid: een moment dat passeert en daarna niet meer terugkomt, zodat we voortleven in onze herinneringen. Ik merk dat vooral de jonge generatie daar honderd procent op inzet. Dat kan zijn tijdens concerten, misschien cinema, maar dat kan ook een gesprek zijn, een diner of een samenzijn. En dat is totaal niet de beleving die ons wordt verkocht door onze schermen. En dat vind ik megahoopvol.

En ik merk steeds meer dat de meest spannende dingen gebeuren achter gesloten deuren, omdat er in de publieke ruimte bijna geen plaats meer is voor dit soort momenten. Veel van die publieke ruimte is opgekocht door grote bedrijven, waardoor het steeds moeilijker wordt om spontane dingen te organiseren.

Gijs Groenteman: Heb je een herinnering aan iets wat achter gesloten deuren plaatsvond, dat heel bijzonder was?

Thomas Azier: Ik werd op het schoolplein uitgenodigd door een ouder met een wijnwinkel, die in zijn kelder concerten organiseerde. Daar zag ik een blinde violist. Die vertelde dat hij vroeger overal kon spelen, overal werd uitgenodigd. Maar tegenwoordig gaat alles alleen maar via het internet, en dat lukte hem niet. Die kelder was nog een plek waar hij kon spelen. Het was een van de meest emotionele en intense live‑ervaringen die ik heb gehad.

Gijs Groenteman: Dus de tijd is ingewikkeld, met de dominantie van Instagram en dat alles in reels moet. Maar tegelijkertijd zijn mensen ook weer zo dat ze zichzelf toch altijd losworstelen.

Thomas Azier: We passen ons heel snel aan. Sterker: we passen ons sneller aan dan de grote bigtechbedrijven kunnen. Die kunnen zich niet zo snel organiseren tegenover ons. Dus ik heb zeker hoop.

Leest ‘Willem Lodewijk van Nassau’ van Olaf van Nimwegen

Met in het achterhoofd de gedachte erover te schrijven voor Dagblad van het Noorden en misschien ook voor de Leeuwarder Courant lees ik het boek Willem Lodewijk van Nassau (1560-1620). Stadhouder van het noorden van Olaf van Nimwegen.

Het woord ‘misschien’ gebruik ik hier omdat Willem Lodewijk, graaf van Nassau-Dillenburg, vooral bekend staat als de vader van Friesland. Us Heit noemen ze hem daar. Het ligt daarom voor de hand dat iemand vanuit Fries perspectief zich over dit boek buigt. Ook is het denkbaar dat het boek vanuit Gronings perspectief wordt besproken, omdat Groningen toen én nu de meest prominente stad van het noorden is.

Tegelijkertijd doet die Friese of Groningse invalshoek onvoldoende recht aan zijn betekenis. Willem Lodewijk van Nassau was immers een van de grondleggers van de soevereine Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Ik citeer uit een persbericht:

“Willem Lodewijk waakte als stadhouder van de noordelijke provincies over de belangen van alle inwoners die aan zijn zorgen waren toevertrouwd: Friezen, Groningers, Ommelanders en Drenten. Als legeraanvoerder stond hij aan de wieg van de militaire hervormingen die de opstandelingen in staat stelden hun onafhankelijkheid op de Spaanse kroon te bevechten. Willem Lodewijks grootste prestatie als stadhouder is geweest dat hij twee provincies die elkaar traditioneel vijandig gezind waren, blijvend heeft weten te verankeren in de nieuwe staat waaruit het moderne Nederland is voortgekomen.”

Het is altijd weer leuk om over de vijandigheid tussen Friezen en Groningers te lezen. Ik ben evenwel vooral geïnteresseerd in wat hij voor Drenthe heeft betekend. Al lezende ben ik er inmiddels achter dat Willem Lodewijk een bepalende rol speelde in de ontwikkeling van Drenthe tijdens de Tachtigjarige Oorlog, met name op het gebied van militaire veiligheid, bestuur en religieuze hervorming.

Drenthe was rond 1600, vergeleken met andere delen van wat we nu Nederland noemen, een dunbevolkt en economisch zwak gebied, met weinig landbouwgrond en grote oppervlakten heide en veen. Het was er, jawel, woest en ledig. Tegelijkertijd had het een strategische ligging voor wie vanuit het westen naar het noorden wilde reizen of richting het gebied dat we nu Duitsland noemen.

Het kasteel Coevorden vormde de sleutel tot deze regio. Wie Coevorden beheerste, controleerde de doorgang naar het noorden, heette het. Toen Willem Lodewijk in 1596 stadhouder van Drenthe werd, versterkte hij om die reden Coevorden en zorgde hij voor een permanente verdediging van het gewest tegen Spaanse troepen. Met hetzelfde doel liet hij in 1593 de schans van Bourtange aanleggen.

Ik lees dat Drenthe onder zijn leiding heeft bijgedragen aan de oorlog door infanteristen en ruiters te leveren, en dat hij gereformeerde predikanten naar Drenthe stuurde om het gewest religieus te verbinden met de Republiek en de invloed van de katholieke kerk terug te dringen. De gevolgen daarvan zijn nog steeds merkbaar.

Nu weer verder lezen.

Na een dagje North Sea Jazz blijft vooral het optreden van Y-Otis hangen

Ook ik bezocht de 50ste editie van North Sea Jazz. Alleen de eerste dag, zeg ik erbij. Het leven heeft meer te bieden dan muziekfestivals, en het is duur genoeg, ook voor wie dankzij het stichten van een gezin alweer jaren her nu in Den Haag kan overnachten en vandaaruit een avond kan doorbrengen in Ahoy Rotterdam.

De mensen van North Sea Jazz weten inmiddels hoe ze een festival moeten organiseren en hun klanten tevreden moeten houden: met een goed programma, uitstekende muzikanten, een zeer geschikte locatie, prima logistiek et cetera. 145 euro betaalde ik voor mijn kaartje.

Voor dat geld zag ik negen optredens, niet allemaal van begin tot eind, maar lang genoeg om er een persoonlijk oordeel over te kunnen vellen en af en toe iets te versnaperen. Voor de opening door koningin Máxima arriveerde ik te laat en ook Jalen Ngonda liet ik aan mij voorbijgaan – wat niet erg was, want ik heb kaartjes voor zijn optreden begin oktober in Groningen.

Bij binnenkomst bleek dat The Isley Brothers niet konden optreden. Dat was een kleine teleurstelling. Ik had ze graag eens gezien en gehoord, met het besef dat er weinig tot niets over is van de originele bezetting, die volgens mij uit 1954 stamt. Alleen zanger Ronald Isley is er nog bij; ik kan mij niet voorstellen dat zijn stem nog optimaal is. Waarom ze er niet waren, is mij overigens een raadsel.

Vervolgens vermaakte ik mij achtereenvolgens met Cécile McLorin Salvant, Bilal, De La Soul, Asaf Avidan, Y-Otis, Roy Hargrove’s The RH Factor, een jam op de open stage en tot slot The Roots. Niet alles pakte even fijn uit. The RH Factor ervoer ik als ronduit gruwelijk, vooral vanwege het virtuoze spierballenvertoon. Goede muzikanten maken lang niet altijd aangename muziek.

Het hoogtepunt trof ik, achteraf bezien, in een warm en benauwd zaaltje: Y-Otis. Wat ik zag waren vier relatief jonge muzikanten die totaal niet geïnteresseerd leken in omschrijvingen of genres, laat staan in een podiumpresentatie, maar muziek wilden maken zoals zij denken dat muziek dient te klinken: opwindend en dansbaar.

Omdat de aanvoerder van het kwartet, Otis Sandsjö, op improviserende wijze tenorsaxofoon speelt, kan het jazz worden genoemd. Wat doet het ertoe? Ik beleefde vooral plezier aan de stuwende groove en allerlei elektronisch veroorzaakte geluiden die mij deden denken aan hypnotiserende dance.

Voorlopig kan ik er weer even tegen.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2026 Woest & Ledig

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑