Over kunst en cultuur (in Drenthe en daarbuiten)

Auteur: Woest en Ledig (Pagina 1 van 494)

De verzameling(en) van Harry Tupan, vertrekkend algemeen directeur van het Drents Museum

1 Kastje Harry Tupan
Vrijdag 5 september 2025 neemt Harry Tupan afscheid van het Drents Museum. Hij doet dat met de tentoonstelling Microkosmos – De wereld in een Wunderkammer, volgens het museum een ode aan het verzamelen.

Samen met collega Job van Schaik interviewde ik Tupan voor Dagblad van het Noorden.  Over verzamelen, zie ook hier en hier, over Drenthe en over de steen op zijn maag. Hieronder een voorpublicatie van een stuk dat deo volente komende zaterdag op papier wordt verspreid in Drenthe én Groningen:

Hoe belangrijk is het dat een museumdirecteur verzamelt?

„Mijn ouders verzamelden kunst en als kind ging ik al naar openingen van tentoonstellingen. Ik ben ermee opgegroeid. Bij het verzamelen gaat het mij niet om het hebben, het gaat mij om de kennis, om het gevoel. Het zoeken en dan iets vinden, de kleine historische sensatie die dat oplevert.”

„Op school in Hoogeveen had mijn aardrijkskundeleraar een metalen kantoorkast staan vol met stenen: pijpenkoppen, maar ook fossielen en andere dingen. Een soort Wunderkammer. Als ik bij hem les had, ging ik naast die kast zitten en kijken. Die man, meester Veurink, gaf mij ook boeken mee. Dat ben ik altijd blijven doen: zoeken en lezen.”

Je zult onder meer herinnerd worden als de man die namens het Drents Museum Duitse figuratieve schilderkunst is gaan verzamelen.

„Dat komt niet uit de lucht vallen. Er waren afspraken gemaakt tussen de drie Noordelijke musea. De wilde Italianen gingen naar Groningen, fotografie naar Leeuwarden en wij deden figuratieve kunst. Mijn voorganger, Jan Jaap Heij, is daarmee begonnen. Ik zag er potentie in, ook omdat Academie Minerva de bron was van de hedendaagse figuratieve schilderkunst.”

„Toen kwam ik op een gegeven moment in Leipzig en zag ik daar eenzelfde bron: de Hochschule für Grafik und Buchkunst. In 2009 is daar een tentoonstelling en acquisitie uit voortgekomen. Zulke aankopen vind ik belangrijk. Elk museum dat er in Nederland toe doet heeft een internationale component. Assen is een hoofdstad. En dit is een heel logische lijn.”

(…)

Tupan wijst op een kast (foto boven), recht tegenover zijn bureau en zegt: „In dat vakje daar staan vier miniaturen: een van het Terracotta Leger, een van Kazimir Malevitsj, een kruik van de Dode Zee-rollen, een van Frida Kahlo. Elk dag denk ik: Dit is wat we gedaan hebben. Dit is wat we in de toekomst moeten binnenhalen.” 

„We hebben hier De Wolgaslepers van Repin gehad, Zwart Vierkant van Malevitsj, schilderijen van Edward Hopper – hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis. Ook daarom staat het mij tegen als er denigrerend wordt gedaan over het Drents Museum. Wat denken die mensen wel niet?”

De verzameling(en) van Harry Typan, vertrekkend algemeen directeur van het Drents Museum

Samen met collega Job van Schaik interviewde ik Tupan voor Dagblad van het Noorden.  Over verzamelen, zie ook hier en hier, over Drenthe en over de steen op zijn maag. Hieronder een voorpublicatie van een stuk dat deo volente komende zaterdag op papier wordt verspreid in Drenthe én Groningen:

Hoe belangrijk is het dat een museumdirecteur verzamelt?

„Mijn ouders verzamelden kunst en als kind ging ik al naar openingen van tentoonstellingen. Ik ben ermee opgegroeid. Bij het verzamelen gaat het mij niet om het hebben, het gaat mij om de kennis, om het gevoel. Het zoeken en dan iets vinden, de kleine historische sensatie die dat oplevert.”

„Op school in Hoogeveen had mijn aardrijkskundeleraar een metalen kantoorkast staan vol met stenen: pijpenkoppen, maar ook fossielen en andere dingen. Een soort Wunderkammer. Als ik bij hem les had, ging ik naast die kast zitten en kijken. Die man, meester Veurink, gaf mij ook boeken mee. Dat ben ik altijd blijven doen: zoeken en lezen.”

Je zult onder meer herinnerd worden als de man die namens het Drents Museum Duitse figuratieve schilderkunst is gaan verzamelen.

„Dat komt niet uit de lucht vallen. Er waren afspraken gemaakt tussen de drie Noordelijke musea. De wilde Italianen gingen naar Groningen, fotografie naar Leeuwarden en wij deden figuratieve kunst. Mijn voorganger, Jan Jaap Heij, is daarmee begonnen. Ik zag er potentie in, ook omdat Academie Minerva de bron was van de hedendaagse figuratieve schilderkunst.”

„Toen kwam ik op een gegeven moment in Leipzig en zag ik daar eenzelfde bron: de Hochschule für Grafik und Buchkunst. In 2009 is daar een tentoonstelling en acquisitie uit voortgekomen. Zulke aankopen vind ik belangrijk. Elk museum dat er in Nederland toe doet heeft een internationale component. Assen is een hoofdstad. En dit is een heel logische lijn.”

(…)

Tupan wijst op een kast (foto boven), recht tegenover zijn bureau en zegt: „In dat vakje daar staan vier miniaturen: een van het Terracotta Leger, een van Kazimir Malevitsj, een kruik van de Dode Zee-rollen, een van Frida Kahlo. Elk dag denk ik: Dit is wat we gedaan hebben. Dit is wat we in de toekomst moeten binnenhalen.” 

„We hebben hier De Wolgaslepers van Repin gehad, Zwart Vierkant van Malevitsj, schilderijen van Edward Hopper – hoogtepunten uit de kunstgeschiedenis. Ook daarom staat het mij tegen als er denigrerend wordt gedaan over het Drents Museum. Wat denken die mensen wel niet?”

Muziekkoepels op Borkum (Duitsland) en in Elche en Novelda (Spanje)

Multikunstenaar Peter Veen stuurde er een die is gemaakt op Borkum, het Duitse Waddeneiland, met daarbij de aarzelende opmerking of het wel een muziekkoepel is. Die aarzeling is begrijpelijk, want het bouwsel oogt afgesloten, terwijl openheid juist een kenmerk van muziekkoepels is.

In dit geval is de geslotenheid te begrijpen. Wie een koepel in de nabijheid van het strand bouwt, loopt het risico dat-ie vol zand waait. Het is, naar mijn mening, sowieso onverstandig om een muziekkoepel op het strand neer te zetten. Niet eens zozeer vanwege de stijgende zeespiegel, maar vooral omdat zand en zeelucht slecht zijn voor muziekinstrumenten.

Ondertussen bevindt de koepel van Borkum – plaatselijk spreken ze van een Musikpavillon – zich al sinds 1911 op de boulevard.


Rob van Ruiten (een jongere broer van) stuurde een foto van een koepel in Elche. Waar dat ligt moest ik even opzoeken: in de provincie Alicante, in het zuidoosten van Spanje. Een korte zoektocht op internet leert dat deze quiosco de música, plaatselijk beter bekend als het Templet in het Parque Municipal, een reconstructie is van de kiosk die in 1970 werd gesloopt.

Voorts stuurde hij een foto van een koepel in Novelda, een Spaanse stad ‘waar moderne pracht en historische schoonheid samenkomen’.

Ook een muziekkoepel gespot? Mailen kan naar woestenledig@home.nl.

Onder antropologen. Hoe onderzoek in het dorp Anderen het communisme in Indonesië moest tegengaan


Wie geïnteresseerd is in de na-oorlogse geschiedenis van Drenthe, en wie is dat nu niet, stuit vroeg of laat op het onderzoek dat begin jaren vijftig is verricht door Dorothy en John Keur. Deze twee Amerikaanse antropologen streken in 1951 neer in het dorp Anderen om na te gaan hoe een (geïsoleerde) Drentse samenleving functioneerde. Het leidde tot de studie The Deeply Rooted, die dankzij Gerard Stout hier is na te lezen.

Schrijver en journalist Emiel Hakkenes schreef een boek over de omstandigheden waaronder het veldwerk van het echtpaar Keur destijds plaatsvond. Als het goed is, staat hier een artikel over het boek van Hakkenes op de website van Dagblad van het Noorden, geschreven door collega Floor Visser. Het boek zelf verschijnt dinsdag 26 augustus, voor sommige lezers is dat al morgen.

De laatste jaren is er veel te doen geweest over het tanende geloof in de wetenschap, met name onder mensen die op basis van internetkennis stellen dat wetenschap ‘ook maar een mening’ is. Recentelijk is er minstens zoveel te doen over de wijze waarop de gekozen president van de Verenigde Staten pogingen doet de wereld van kunst en wetenschap naar zijn hand te zetten – en daar opvallend ver mee komt.

In dit licht is Anderen. Een Drents dorp, de Koude Oorlog en de lange arm van de CIA zeer interessant en ergens ook actueel. Hakkenes laat in zijn boek namelijk zien hoe Amerikaans wetenschappelijk onderzoek na de Tweede Wereldoorlog werd ingezet voor een politieke agenda: het verzamelen van antropologische kennis die kon worden gebruikt bij het tegengaan van het communisme.

Wat dit te maken heeft met een slaperig Drents dorp als Anderen is bijna driehonderd bladzijden leestijd waard. Kortweg komt het erop neer dat het onderzoek dat Dorothy en John Keur in 1951 hebben verricht, mogelijk werd gemaakt met geld uit het zogeheten Fulbright-programma, vernoemd naar een democratische senator en officieel bedoeld voor culturele uitwisseling, maar achter de schermen een Amerikaans propaganda-instrument.

Vier personen zijn extra belangrijk in het boek van Hakkenes. Naast het echtpaar Keur gaat het om de schrijver en socioloog Piet Bouman, een latere professor aan de Rijksuniversiteit in Groningen die eerder een Fulbright-beurs wist te bemachtigen, en om de antropologe Margaret Mead, een oud-docent van Dorothy Keur. Deze Mead stond, zo schrijft Hakkenes, vanuit haar zolderkamer in het Museum of Natural History in New York in contact met de CIA en huisvestte in haar souterrain een geheim agent.

Hakkenes: ‘Margaret Mead had Dorothy Keur ervan overtuigd dat ze in haar aanvraag voor een Fulbright-beurs moest benadrukken dat haar Nederlandse onderzoek van politiek belang kon zijn, omdat het de Amerikaanse autoriteiten een dieper inzicht zou verschaffen in de Indonesische manier van denken, die was getekend door de eeuwenlange Nederlandse invloed en overheersing.’

Dorothy Keur deed precies dat. Ze schreef: ‘Gehoopt wordt dat dit onderzoek inzicht zal geven in het culturele patroon van Nederland en het gedrag van Nederlanders, hetgeen kan bijdragen aan het ontwikkelen van manieren om ongeletterde groepen – in het bijzonder in Indonesië – te helpen in het kader van het Point Four-programma.’

Het Point Four-programma was een economisch hulpprogramma van de Amerikaanse president Truman, gericht op ontwikkelingslanden met als doel de levensstandaard te verhogen door Amerikaanse kennis te delen op gebieden zoals landbouw, gezondheidszorg en industrie. Het moest landen helpen onafhankelijk en sterk te worden, in plaats van satellieten van het Sovjetbewind.

De vraag is uiteraard wat er van de verzamelde kennis over het dorp Anderen is gebruikt om, plat gezegd, Indonesië en andere ontwikkelingslanden uit de klauwen van de Sovjet-Unie te houden. Ik had het Hakkenes graag gegund – het had de kroon op zijn onderzoekswerk kunnen zijn – maar helaas is de invloed van het gemeenschapsleven in Anderen op het wereldtoneel niet (meer) vast te stellen.

Wel achterhaalde Hakkenes iets over de receptie van het onderzoek in Anderen. Het wetenschappelijke vakblad American Anthropologist complimenteerde de Keurs, omdat hen de eer toekwam als eerste buitenlandse sociale wetenschappers een veldstudie van een Nederlands dorp te hebben geschreven. Het boek was daarom een waardevolle bijdrage aan de etnografie:

‘John en Dorothy schenen, afgaand op de inleiding van hun boek, de ambitie te hebben om aan te tonen dat de inwoners van Anderen zo ‘diepgeworteld’ en traditionalistisch waren als gevolg van de natuurlijke omgeving waarin ze leefden: op moeilijke grond in een gebied dat lastig te bereiken was.’

In die opzet, vond de recensent American Anthropologist, waren de Keurs niet geslaagd. Ze ontkrachtten hun eigen stelling juist. Uit hun boek viel op te maken dat het fysieke isolement van het dorp allerminst had geleid tot een cultureel isolement, waarbij mensen zich neerlegden bij de omstandigheden. Hadden ze niet de heide – waar alleen schapen konden grazen – ontgonnen tot akkerland dat ze vruchtbaar maakten met zoiets moderns als kunstmest? Wie The Deeply Rooted las, kon niet anders dan concluderen: de mensen in Anderen legden zich niet neer bij de fysieke omstandigheden waarin ze leefden –  ze zetten die omstandigheden juist naar hun hand.

De bewoners van Anderen waren net Amerikanen, zou je bijna zeggen.

‘Anderen. Een Drents dorp, de Koude Oorlog en de lange arm van de CIA’ van Emiel Hakkenes is een uitgave van Alfabet. Prijs 24,99 euro (288 blz.) Hakkenes is 10 oktober te gast in De Literaire Hemel in Amen. 

Verplaats de kassen van het Westland naar zee en andere wilde ideeën voor de toekomst

Omdat ik toch in Den Haag was nog even naar het plaatselijke Kunstmuseum geweest. Voor de vrolijk makende toetjestentoonstelling en om New New Babylon: Visions for Another Tomorrow te zien. De toetjes kunnen nog tot eind oktober genoten worden. New New Babylon is eind augustus afgelopen.

Hoewel het museum laatstgenoemde tentoonstelling, die geinspireerd is op het visionaire project New Babylon (1956-1974) van Constant Nieuwenhuys (1920 – 2005), vergezeld laat gaan met een beloftevolle tekst (‘Waar zijn we en waar willen we naartoe? Zijn grote visies nog wel van deze tijd? Vanuit verbondenheid en zorg zetten makers de toekomst in een ander licht.’) heeft de expositie iets van een doordacht samenraapsel.

Het woord samenraapsel kan negatief opgevat worden, maar is hier niet per se zo bedoeld. New New Babylon laat zien dat in de hoofden van kunstenaars nog steeds alles mogelijk is. Ze kunnen tonen wat er (nog) niet is. Zo bouwde Afra Eisma bijvoorbeeld de knap gemaakte, zeer lieflijke droomwereld Gallop along met een hoog knuffelgehalte, zo schijnbaar zoet dat het argwaan wekt – bij mij althans, een kijker die zijn geld verdient door ‘de zaak’ te wantrouwen.

Waar ik sterk op aansloeg, mocht het u interesseren, was werk van Edwin Zwakman getiteld Greenhouse night en Greenhouse day. Volgens het begeleidende tekstbordje ging het om ‘Inkjet Diasec’, een methode waarbij prints met behulp van een verlijmingsproces worden getoond achter plexiglas, wat een mysterieus effect sorteert.

Bij mij, opgroeid tussen de kassen, gebeurde nog iets anders. De kunst van Zwakman, die vertelt over de mogelijkheid om op industrieel niveau in kassencomplexen groenteteelten mogelijk te maken, wekte de suggestie dat het mogelijkheid moet zijn om het zogeheten Westland naar de Noordzee te verplaatsen zodat in het overbevolkte Zuid-Holland enorme ruimte ontstaat voor het oplossen van de woningnood in Nederland.

Nog voor ik dit idee kon bepleiten bij een van de 54 partijen die willen meedoen aan de komende Tweede Kamer-verkiezingen stuitte ik in een andere zaal op een aandachtstafel van de Ambassade van de Noordzee. Daar werd gepleit voor een radicale herziening van onze relatie met de zee en wel zo dat de Noordzee van zichzelf is, met als bijkomend gevolg dat het menselijk handelen zoveel mogelijk moet worden tegengegaan.

De toekomst zit vol tegenstrijdigheden. Dat staat vast.

Over ‘Aan mij heb je niks’ van Gerbrand Bakker, over 29 juni 1969 en 30 juni 1970

Een van de boeken die mij zeer heeft aangegrepen, is Juni van Gerbrand Bakker. Ik recenseerde de roman voor Dagblad van het Noorden in 2009 onder de kop: ‘Soms is zwijgen vanzelfsprekend’. Vijf sterren kende ik toe. Onder de recensie stond een kort interview met de schrijver, die vertelde dat hij vijftien jaar aan Juni had gewerkt.

Dat ik hieraan terugdenk, heeft te maken met de publicatie van het nieuwste boek van Bakker, zijn vierde bijdrage aan de reeks Privé-domein van uitgeverij De Arbeiderspers. In Aan mij heb je niks vertelt hij over veel wat hem de laatste tijd bezighoudt, maar vooral over de invloed die de dood van zijn jonge broer nog altijd op hem uitoefent.

Dat drama wordt in Juni beschreven als een ongeluk waarbij een meisje om het leven komt nadat ze is aangereden door het Volkswagenbusje van de bakker. In Aan mij heb je niks schrijft Bakker over een verdrinkingsdood op zaterdagmiddag 29 juni 1969 van de bijna tweejarige Ariën Bakker, die aan de rand van een sloot met een hond had zitten spelen.

Tijdens een archiefbezoek in Alkmaar leest de schrijver een ANP-bericht in de Schager Courant, waarin het volgende staat: ‘Hoewel de jongen maar kort in de sloot had gelegen, was hij reeds buiten bewustzijn toen hij op het droge werd gebracht. Hij overleed later in het St. Lidwina-ziekenhuis in Den Helder. Tijdens het vervoer per ambulance heeft men doorlopend mond-op-mondbeademing toegepast.’

Een jaar later, op dinsdag 30 juni 1970, werd aan de Floraweg in Roelofarendsveen de tweejarige Fred van Ruiten op de keukentafel gelegd. Zijn vader, 37 jaar, had hem vanuit de verte langs de walkant in een sloot zien drijven en zwemmend uit het water gehaald. In de keuken duwde een agent op de buik van de drenkeling, waarna slootwater met kroos uit diens mond ontsnapte. Een paar dagen later werd hij begraven.

Geen krant die erover berichtte.

In het begin van Aan mij heb je niks vertelt Gerbrand Bakker over een bezoek aan Istanbul, waar hij tijdens een lezing door een vrouw wordt gevraagd of hij in God gelooft. Zijn antwoord is ontkennend en gaat gepaard met de verklaring dat hij graag zelf de verantwoordelijkheid neemt voor alles wat hij doet of laat. Bakker vindt het te makkelijk om die verantwoordelijkheid bij een hogere macht te leggen.

Dan schrijft hij dit:

‘Maar ineens kwam er iets omhoog, er was iets in haar vraagstelling geweest dat dat losmaakte en ik praatte, weer zonder nadenken, door. Over dat broertje, dat mijn moeder dan wel vergeten kan zijn, maar ik niet, en dat ik hem zag, meerdere keren. Niet in een droom, maar in een wakend leven, zelfs een keer op een vakantie in Norg, waar hij over mijn opgetrokken knieën in bed kroop, en dat hij telkens ietsje ouder geworden was, alsof hij met mij meegroeide, of ik met hem.’

De passage loopt door; Gerbrand Bakker is stilistisch een groot schrijver: ‘En dat ik dat weliswaar vreemd en ook wel beangstigend vond, maar dat het aan de andere kant volstrekt normaal was en toen zei ik, ik verbaasde mezelf enorm: “If anything, there is my God.” En daarna brak ik, ik kon niet verder.’

Jopie van Ruiten-Hoogenboom, nog geen maand geleden werd ze 92 jaar, op nog geen honderd meter van de plek waar ze in 1933 ter wereld kwam, ze hoeft de straat maar over te steken — ooit was het een sloot — denkt iedere dag aan haar verdronken zoon. Zijn dood stuurde haar leven. Haar man Jan, 1 september wordt hij 93 jaar, bezoekt dagelijks aan de Floraweg de akker langs de sloot waarin zijn zoon is verdronken. 

Als Aan mij heb je niks ergens over gaat, dan is het over de drijfveer van het schrijverschap van Gerbrand Bakker. Die veer is gespannen op zaterdagmiddag 29 juni 1969.

Op bladzijde 351 schrijft hij: ‘In werkelijkheid is het waarschijnlijk zo dat de zevenjarige die ik was, aanvoelde dat het verdriet over het verdrinken van Ariën bij mijn vader en moeder lag. Hoe mijn broers en zus dat aanpakten, weet ik niet, maar ik bevroor. Vechten was geen optie, want waar moet je in zo’n omstandigheid tegen vechten? Vluchten? Waarheen? Wat bevriezen inhoudt, weet ik niet, maar het is alsof dat wat gebeurd was in mijn lijf is gaan zitten, naar binnen is geslagen.’

Tot zover Gerbrand Bakker. Over wie ik in de recensie van 2009 schreef dat hij een schrijver is die alles in zich heeft om een unieke plek in de Nederlandse literatuur te veroveren. En vast te houden.

Dinsdag 30 juni 1970 was een warme dag. Geen dag om te bevriezen, maar om te vluchten. Niet alleen in boeken.

Leest ‘De prullenmand heeft veel plezier aan mij’ van Thomas Heerma van Voss

Aangespoord door een jubelende recensie van Coen Peppelenbos in Dagblad van het Noorden – vijf sterren – nam ik De prullenmand heeft plezier aan mij van Thomas Heerma van Voss ter hand. En ook ik kon het boek nauwelijks meer wegleggen. Hoe dat komt en waar dat in zit, is niet eenvoudig te benoemen.

Voor wie de recensie van Peppelenbos nog niet heeft gelezen: Thomas Heerma van Voss interviewde schrijvers die ooit verbonden zijn geweest aan De revisor, het literaire tijdschrift waar ook hij zelf verbonden aan is geweest en model heeft gestaan voor het zieltogende literaire tijdschrift dat een belangrijke rol speelt in zijn roman Het archief. 

Zijn selectie bepaalde hij op basis van een verzoek in 1977 van de Revisor-redactie aan schrijvers om een getekend zelfportret te maken. 79 portretten leverde het op, van jonge en oude schrijvers. Heerma van Voss zocht de nog levenden op, veelal thuis in Amsterdam. Hij wilde weten hoe het hen is vergaan en hoe ze het schrijverschap ervaren. Wat ze hem vertellen en wat hij ziet en meemaakt schreef hij met veel mededogen op.

Het eindresultaat, het gevoel dat blijft hangen na lezing van de meeste verslagen, stemt treurig. Voorbij, voorbij, o – bijna – voorgoed voorbij. Het zal mijn gemoed zijn, want lang niet alle interviews eindigen in mineur. Sommige schrijvers zijn mensenschuw geworden, anderen raakten gefrustreerd. Maar er zijn ook schrijvers met wie het naar omstandigheden qua succes en eigen tevredenheid best goed gaat.  

De prullenmand heeft plezier aan mij ligt in het verlengde ligt van Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf: portretten van vergeten schrijvers van Joris van Casteren uit 2006. Boze gedachte mijnerzijds: in beide boeken wordt het literaire leven van toen ten grave gedragen, terwijl de schrijvers nog leven en helemaal niet dood willen. Een rare leeservaring levert dat op. Want aan wie ligt dat vergeten? Aan de lezers, de schrijvers, de recensenten, de bladen, de markt? Moeten ze dood?

Wat ook gezegd mag worden, meen ik, is dat De prullenmand een echt Thomas Heerma van Voss-boek is in de zin dat geen schrijver in Nederland zo structureel bezig is met het de-romantiseren van de literaire wereld. Ooit stelde die wereld iets voor, ooit hing er een sluier van intellectuele glamour omheen, maar inmiddels is de sluier vervangen door stoffig geworden jaloezieën aan een versleten koordje.

Wie de jaloezieën omhoog trekt ziet schrijvers rondscharrelen, thuis in kamers vol oud papier. In steeds legere zaaltjes en boekhandels waar ze vergeefs aan een tafeltje onder het systeemplafond wachten tot er iemand om een handtekening komt vragen in een boek dat nauwelijks is besproken, hooguit verkeerd aangeprezen door een AI-assistent. Met als gevolg dat de dozen ongeopend naar Gorredijk worden gebracht, voor de ramsj of de papierversnipperaar.

Op bladzijde 99 schrijft Heerma van Voss dat het hem niet gaat om het verval of de toenemende onzichtbaarheid, maar om te horen op welke manier de schrijvers van toen terugblikken: welke verhalen ze opdissen, welke grondtoon blijft hangen. Dat zal wel. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat Thomas Heerma van Voss gefascineerd is door mensen die op het verkeerde paard hebben gewed.   

De interviews zijn oorspronkelijk gemaakt voor de website van het Literatuurmuseum. Dat is een prima website, ik kijk er wel eens rond. Ik moet echter bekennen dat ik deze stukken pas lees nu ze gedrukt zijn en in een boek verzameld. Print heet ouderwets te zijn en op zijn retour, maar ik wil er nog steeds niet aan.

De titel van De prullenmand heeft plezier aan mij is ontleend aan een ontmoeting met Judith Herzberg, iemand die er bekend om staat niet geïnterviewd te willen worden. Als Thomas Heerma van Voss zich meldt is ze de afspraak vergeten. Anders dan veel andere schrijvers zit Herzberg niet op aandacht te wachten. Veelzeggende uitspraak: ‘Ik wil helemaal geen bekende Nederlander worden, ik wil gewoon blijven werken.’

Ronduit geweldig is dat De prullenmand is voorzien is van een leeslint. Voor wie het niet meer weet: dat is een ouderwets hulpmiddel tegen het vergeten.

Luistertip: een concert op een hammered dulcimer in een door Arjen Boerstra gebouwde klankkast

Steeds als ik iets verneem over de kunstenaar Arjen Boerstra schuif ik een stukje naar voren op mijn stoel – dit in figuurlijke zin, want er zijn ook momenten dat ik lig of sta.

Zo bewaar ik sterke herinneringen aan de keer dat hij in de hoedanigheid van Arjan Boersma voornemens was langs de N34 een kolossale schildersezel met een geïdealiseerd landschap te plaatsen. Dat ging niet door, maar mijn aandacht had hij daarna gevangen.

Zaterdag 16 en zondag 17 augustus zet Boerstra in samenwerking met theatermaker Floortje Schoevaart ‘misschien wel de kleinste concertzaal ter wereld’ in het Drentse landschap. Hij doet dat op twintig minuten wandelen vanaf café De Amer en presenteert zich dit keer als muzikant.

Citaten uit een persbericht:

‘Maak een bijzondere muzikale ervaring mee in De Klankkast, een interactieve installatie waarin twee bezoekers, liggend, een tien minuten durend concert op een hammered dulcimer beleven. De Klankkast is magisch en staat op een prachtige plek in de hooilanden van het Amerdiep. Met twee personen ben je te gast in De Klankkast. Een concert alleen voor jou en die ander.’

De Klankkast speelt zaterdag van 12.00 tot 18.00 uur en zondag van 12.00 tot 17.00 uur. Reserveer vooraf een tijdslot via info@floortjeschoevaart.nl Startpunt is De Amer. Entree is een vrijwillige bijdrage, achter te laten in bus in het café. Pinnen kan ook.

« Oudere berichten

© 2026 Woest & Ledig

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑