Ter afwisseling of opfrissing, wie zal het zeggen, lees ik Vaders en zonen van Ivan Toergenjev uit 1862. Jaren geleden las ik het boek ook al, toen ik nog een bleke jongeling was. Bleek van het blowen en weinig buitenlucht vermoedelijk. Ik weet het niet meer, dat krijg je ervan.

Destijds was Jevgeni Vasiljevitsj Bazarov mijn favoriete personage. Toergenjev zet deze dokter in opleiding neer als een nihilist, iemand die elke autoriteit afwijst, maar wél geïnteresseerd is in de wetenschap. Hij is iemand die de moed heeft nergens in te geloven. Iemand die, als hem tijdens een gesprek wordt gevraagd of hij ‘de mening’ deelt, zegt dat hij niemands meningen deelt, maar er de zijne op nahoudt.

Bazarov vertegenwoordigt in Vaders en zonen de ‘nieuwe generatie’, de jeugd die het anders gaat doen. Beter ook. Dat sprak mij destijds bijzonder aan, al kan ik mij niet meer herinneren dat ook ik het anders wilde gaan doen. Wat ik nog wel weet, is dat ik zeer geïnteresseerd was in mensen en bewegingen die iets nieuws nastreefden. Toen ik Vaders en zonen van Toergenjev las, was ik journalist in opleiding.

Aan het begin van hoofdstuk 11 staat Toergenjev stil bij Nikolaj Petrovitsj Kirsanov, de vader van Arkadi, vriend van Bazarov. Er heeft een discussie plaatsgevonden waarin Bazarov zich nogal heeft doen gelden:

‘Een half uur later begaf Nikolaj Petrovitsj zich naar de tuin, naar zijn geliefde prieeltje. Hij was van droeve gedachten vervuld. Voor het eerst was hij zich duidelijk bewust van de kloof tussen hem en zijn zoon, en hij voorvoelde dat die met de dag dieper zou worden.

Het was dus waarschijnlijk voor niets geweest dat hij die winters in Petersburg hele dagen over de nieuwste boeken gebogen had gezeten. Voor niets had hij naar de gesprekken van die jonge lui zitten luisteren, voor niets zich verheugd af en toe ook een woordje aan hun heftige gesprekken te kunnen toevoegen.

Mijn broer zegt dat wij het bij het rechte eind hebben, dacht hij. En als ik ieder gevoel van eigenwaarde erbuiten laat, dan denk ik zelf ook dat zij verder van de waarheid verwijderd zijn dan wij. En tegelijkertijd voel ik dat zij iets hebben dat wij niet hebben. Dat zij iets op ons voor hebben. Een jeugd? Nee, niet alleen een jeugd.

Zou het soms zijn dat zij minder aristocratische trekjes hebben dan wij? Nikolaj Petrovitsj boog zijn hoofd en streek over zijn gezicht. Maar de poëzie verwerpen, dacht hij weer. Geen gevoel voor kunst hebben, voor de natuur. En hij keek om zich heen alsof hij wilde begrijpen hoe het mogelijk was dat iemand geen gevoel had voor de natuur.

Het werd al avond. De zon verdween achter een klein espenbosje dat een halve werst van de tuin lag en een eindeloos lange schaduw over de onbeweeglijke velden wierp. Een boertje op een wit paard reed in lichte draf over het smalle donkere weggetje langs het bosje. Hij was heel duidelijk te zien, helemaal, tot het ingezette stuk op zijn schouder toe.

Zonnestralen drongen op hun beurt het bosje binnen, werkten zich door het kreupelhout heen en overgoten de stammen van de espen met zo’n warm licht dat ze op berkenstammen gingen lijken. En de bladeren waren als blauw en daarboven spande zich de bleekblauwe hemel, die iets rood was getint door de zonsondergang. De zwaluwen vlogen heel hoog, de wind was geheel gaan liggen. Wat later zoemden bijen lui en slaperig tussen de bloeiende seringen. Een zwerm muggen danste boven een eenzaam ver uitstekend takje.

God, wat mooi, dacht Nikolaj Petrovitsj. En geliefde versregels wilden hem op de lippen komen.’

Bazarov is nog steeds een zeer intrigerend personage. Maar anders dan toen voel ik mij inmiddels veel meer verwant met Nikolaj Petrovitsj. Ook dat is vooruitgang.