
Afgelopen zaterdag, alweer bijna een week geleden, drukte de Volkskrant in de bijlage Zondag een stuk van drie pagina’s af met de Huizinga-lezing die Frits van Oostrom op 22 maart in Middelburg uitsprak.
Als aanbeveling, want het is naar mijn mening een zeer interessant stuk, publiceer ik hier een deel van het slot. Waarin niet Huizinga, maar Van Oostrom aan het woord komt over de Verenigde Staten van nu:
‘Soms lijkt het wel alsof Amerika niet het land van de toekomst is, maar tegen de geschiedenis in evolueert. Het land dat altijd zo trots was op zijn meritocratie en uitblonk in rolmodellen van succes dankzij persoonlijke verdienste, grossiert nu in geboorteprivileges, toont in zijn stemgedrag een zwak voor aristocratie van eigen kweek (Kennedy, Bush, het echtpaar Clinton) en moet inmiddels protestmarsen organiseren onder de slogan ‘No Kings’.
Aldus bezien is het niet zo moeilijk om na de pax Americana nu het herfsttij der Verenigde Staten uit te roepen. En toch voel ik mij uiteindelijk nog steeds het meeste thuis bij Huizinga’s ambivalentie. Ik voel mij daarin gesterkt door wat Timothy Snyder heeft genoemd ‘the heroes of our time’: de vrije pers.
In bladen als The New York Times, The New Yorker, The Chronicle of Higher Education en via websites als Arts & Letters Daily en Politico en vele meer zie ik nog steeds volop van wat Huizinga het elan van Amerika’s geest noemde: het creatieve, humane, weldenkende en ook zelfkritische Amerika.
Een cynicus zal zeggen: wat stellen zulke periodieken helemaal voor, kwantitatief, tegenover het grote geweld? En ik geef toe dat ik in een bepaalde hoek zit, een bubbel zo u wilt.
Maar toch, kwalitatief. Het niveau waarop in die kolommen wordt geschreven en gedacht; de aandacht die ze geven aan de hoogwaardige boeken en wel degelijk ook films die in Amerika nog met de regelmaat van de klok verschijnen; plus hun doorkijk naar bijvoorbeeld Amerikaanse universiteiten – en dan heb ik nu eens niet het oog op Harvard, maar op de vaak uitstekende publieke instellingen, vijfduizend in totaal, van Ivy league tot community colleges, waar bijna 40 procent van de Amerikaanse jeugd naartoe gaat en 650 duizend docenten hun dagelijkse best doen om jonge mensen kennis, vaardigheden en burgerschap bij te brengen.
Dat is ook Amerika vandaag. Toegegeven: het heeft het moeilijk momenteel, en ervaart druk van bovenaf en ook van binnenuit. Maar als echte Amerikanen gaan ze meestal niet bij de pakken neerzitten, maar zetten ze zich schrap.
‘Don’t mourn, organize’, zouden de laatste woorden zijn geweest van de in 1915 ter dood gebrachte vakbondspionier Joe Hill, en zijn getrouwen volgden in dat activisme – en in diezelfde geest zien we nu alweer kritiek en verzet binnen Amerika zich organiseren.
Ik zou willen vertrouwen op zulke krachten. En in de beste traditie van het Amerikaanse individualisme ons niet blindstaren op landsbestuur, maar kijken naar de mensen zelf, ongeacht hun nationaliteit. Mensen die houden van natuur, cultuur, en kunst en wetenschap om huns zelfs wille, die geven om waarheid en schoonheid, en om muziek en talen zoals Huizinga dat deed.
En om de geesteswetenschappen, die wat mij betreft nog beter de humanities heten, omdat ze ons erbij helpen bepalen what it means to be human. In de stroom van technologisering is hun inbreng letterlijk broodnodig, omdat we anders geestelijk verhongeren.’