
Daags na de gemeenteraadsverkiezingen werd in kleine kring de vraag gesteld: wat betekent de uitslag voor de wereld van kunst en cultuur? Het antwoord: dat weten we niet. Er volgt nog een officiële vaststelling en daarna moeten nog coalities worden gevormd.
Het weerhoudt mij er niet van erop los te duiden, te analyseren en te speculeren.
Gemeenten zijn de grootste financiers van kunst en cultuur in Nederland. Volgens bronnen die via het internet zijn aan te boren geven zij samen 2,27 miljard euro uit, tegenover 1,29 miljard euro door het Rijk en 368 miljoen euro door de provincies.
Ook goed om te weten is dat gemeenten geen wettelijke verplichting hebben om in kunst en cultuur te investeren. Uitgaven zijn sterk afhankelijk van plaatselijke verkiezingsuitslagen en politieke keuzes. Dat maakt interessant wat onder kunst en cultuur wordt verstaan. Verschillen tussen gemeenten kunnen straks groter worden. Wel veel paasbulten, geen inclusief muziektheater.
Persoonlijke voorspelling: hoeders van erfgoed hebben weinig te duchten. Veel lokale partijen zijn wars van de ‘linkse rarigheid’ die welig tiert in grotere steden met universiteiten. Liefhebbers van experiment en vernieuwing op het platteland krijgen het moeilijk, vooral nu de ‘rechtse verwarring’ terrein heeft gewonnen.
Ter geruststelling: mijn verwachtingen komen zelden uit.