
Eindelijk kwam ik ertoe het essay te lezen dat Mariët Meester heeft geschreven voor de Vasalis-reeks, een serie boekjes ter herinnering aan Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans, beter bekend als de dichter M. Vasalis. Meester was gevraagd voor het vierde deel van wat een prestigieuze serie genoemd kan worden, ware het niet dat ik zelf ook een bijdrage heb geleverd aan deel drie: Vrienden van de poëzie.
De bijdrage van Meester – Loeien, blaten, fluiten, kakelen, ritselen en wriemelen – begint met een tafereel voor een volle boekenkast. De schrijfster stuit bij het opruimen op een boekje dat haar partner, kunstenaar Jaap de Ruig, ooit eigenhandig heeft samengesteld op basis van gekopieerde gedichten van Vasalis – niet bepaald iets om weg te doen.
Het zet aan tot herinneren. Eerst over de merkwaardigheid dat Meester, die in Veenhuizen opgroeide, lange tijd niet heeft geweten dat Vasalis bij haar in de buurt woonde, in Roden, nog geen uur fietsen vanaf het gevangenisdorp. Later over leven en werk. Meester toont zich niet erg onder de indruk van Vasalis. Ze schildert haar zelfs af als bevoorrecht en kan weinig waardering opbrengen voor haar doodsverlangen.
Dan doet zich een wending voor: ‘Oké, en nu is het afgelopen. Dit gaat de verkeerde kant op, ik wil mij helemaal niet kritisch opstellen ten opzichte van Vasalis. Integendeel: ik wil juist graag de jonge vrouw weer worden die een stel gekopieerde gedichten tussen twee stukken besmeurd karton kon koesteren. Ik wil terug naar mijn onzware ernst en droomrigheid.’
Kan zoiets? Lenen de gedichten van Vasalis zich daarvoor?
Het essay van Meester wordt er veel leuker van. Bijvoorbeeld doordat ze schrijft over een bezoek aan begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam, waar Vasalis begraven ligt en een monumentje staat ter nagedachtenis aan haar overleden zoontje Dicky, niet ver verwijderd van de graven van Doeschka Meijsing, K. Schippers en Menno Wigman.
Ze ontmoet er een groepje mensen dat zich laat rondleiden en kreten van ontstentenis slaakt bij de graven van televisieacteur Roef Ragas en de vrouw van schrijver Kluun, bekend van het boek waarin ze bij de dokter kwam. Ter compensatie begint Meester hen over de blijkbaar bij het brede publiek vergeten Vasalis te vertellen.
Weer thuis neemt ze opnieuw het werk van de dichter ter hand. Grasduinend doet ze een kleine ontdekking van literair-historische aard: Joost Zwagerman heeft zijn beroemdste gedicht Voor bijna alles bang geweest ontleend aan een gedicht van Vasalis, zonder haar daarvoor de credits te geven.
Geïnspireerd besluit ze via Boekwinkeltjes een verzamelbundel aan te schaffen: het boekenweekgeschenk De muze en de dieren met gedichten uit 1954, waarvoor Vasalis dierengedichten selecteerde. Nu lukt het Meester wel om bewondering op te brengen. Of meer precies: ontroerd te raken. Vooral door Paard gezien bij circus Straszburger en Nachtelijke ontmoeting:

Het vijfde deel van de Vasalis-reeks bevat naast het essay van Meester nog een tekst. Sacha Landkroon doet daarin verslag van een serie poëzieworkshops voor bewoners van woon-zorgcentrum De Hullen in Roden. Een van de deelnemers is een wat nukkige man die de zin in het leven lijkt kwijtgeraakt en al mopperend tot regels komt waarvan hij zeker weet dat het geen gedicht is:

Of dat waar is, bepaalt uiteindelijk de lezer.