In vervolg op de benoeming van Rob Chrispijn tot ere-Harlekijn trok ik een lp van het gezelschap Poëzie Hardop uit de kast. Voor wie dit hoort heet de plaat die in 1979 werd uitgebracht op het Harlekijn-label van Herman van Veen en consorten.

In 1979 was de punkgolf in Engeland alweer aan het afnemen, maar in Nederland begon de muzikale verharding op gang te komen. Luchtkastelen van Ton Lebbink moest nog verschijnen, in 1981. Antoine Oomen, Henk Batenburg en Mies de Heer trokken zich nergens iets van aan en sloegen onder productionele leiding van Adriaan Verstijnen een wat zijige toon aan.

Het meest spannend is de hoestekst van Simon Carmiggelt. Die luidt als volgt:

‘Dichten is een eenzame bezigheid. Een potloodje op een papiertje. Als het vers gedrukt wordt, maakt de dichter kans op weerklank. Al was het maar van die ene jongen in Overschie die wel eens leest. Als die jongeman bij het lezen iets ondergaat, heeft de dichter veel bereikt.

Is het mogelijk zijn verzen ook te zingen? Ja, als je ze met zorg uitzoekt. Het moet poëzie zijn die zelf ook al een beetje zingt op papier. Als Poëzie Hardop zo’n tekst met fijn gevoel voor de inhoud ten gehore brengt, zonder egocentrische tenorbedoelingen, hoor je iets heerlijks. Vroman, Nijhoff, Gorter – mooi hoor.

Maar Het Huwelijk van Elsschot moet je niet zingen maar kerven. Poëzie Hardop probeert het toch te zingen. Dat lukt niet. Hoort dat op de hoes? Maar ik ben niet ingehuurd om tijdens dat zingen alleen maar te jubelen. Misschien maakt een enkele bedenking mijn welgemeende lof voor de rest meer waard.’

De naam Poëzie Hardop kan overigens bekend voorkomen. Henk van Ulsen participeerde ooit in een gelijknamig initiatief van Huub Oosterhuis, waarbij in theaters werk van dichters als Achterberg, Hanlo, Nijhof, Lucebert, Vasalis en ook Gerhardt werd voorgedragen. Van Ulsen deed dat niet zingend, maar op zijn manier: zeggend.