Wie geïnteresseerd is in de na-oorlogse geschiedenis van Drenthe, en wie is dat nu niet, stuit vroeg of laat op het onderzoek dat begin jaren vijftig is verricht door Dorothy en John Keur. Deze twee Amerikaanse antropologen streken in 1951 neer in het dorp Anderen om na te gaan hoe een (geïsoleerde) Drentse samenleving functioneerde. Het leidde tot de studie The Deeply Rooted, die dankzij Gerard Stout hier is na te lezen.

Schrijver en journalist Emiel Hakkenes schreef een boek over de omstandigheden waaronder het veldwerk van het echtpaar Keur destijds plaatsvond. Als het goed is, staat hier een artikel over het boek van Hakkenes op de website van Dagblad van het Noorden, geschreven door collega Floor Visser. Het boek zelf verschijnt dinsdag 26 augustus, voor sommige lezers is dat al morgen.

De laatste jaren is er veel te doen geweest over het tanende geloof in de wetenschap, met name onder mensen die op basis van internetkennis stellen dat wetenschap ‘ook maar een mening’ is. Recentelijk is er minstens zoveel te doen over de wijze waarop de gekozen president van de Verenigde Staten pogingen doet de wereld van kunst en wetenschap naar zijn hand te zetten – en daar opvallend ver mee komt.

In dit licht is Anderen. Een Drents dorp, de Koude Oorlog en de lange arm van de CIA zeer interessant en ergens ook actueel. Hakkenes laat in zijn boek namelijk zien hoe Amerikaans wetenschappelijk onderzoek na de Tweede Wereldoorlog werd ingezet voor een politieke agenda: het verzamelen van antropologische kennis die kon worden gebruikt bij het tegengaan van het communisme.

Wat dit te maken heeft met een slaperig Drents dorp als Anderen is bijna driehonderd bladzijden leestijd waard. Kortweg komt het erop neer dat het onderzoek dat Dorothy en John Keur in 1951 hebben verricht, mogelijk werd gemaakt met geld uit het zogeheten Fulbright-programma, vernoemd naar een democratische senator en officieel bedoeld voor culturele uitwisseling, maar achter de schermen een Amerikaans propaganda-instrument.

Vier personen zijn extra belangrijk in het boek van Hakkenes. Naast het echtpaar Keur gaat het om de schrijver en socioloog Piet Bouman, een latere professor aan de Rijksuniversiteit in Groningen die eerder een Fulbright-beurs wist te bemachtigen, en om de antropologe Margaret Mead, een oud-docent van Dorothy Keur. Deze Mead stond, zo schrijft Hakkenes, vanuit haar zolderkamer in het Museum of Natural History in New York in contact met de CIA en huisvestte in haar souterrain een geheim agent.

Hakkenes: ‘Margaret Mead had Dorothy Keur ervan overtuigd dat ze in haar aanvraag voor een Fulbright-beurs moest benadrukken dat haar Nederlandse onderzoek van politiek belang kon zijn, omdat het de Amerikaanse autoriteiten een dieper inzicht zou verschaffen in de Indonesische manier van denken, die was getekend door de eeuwenlange Nederlandse invloed en overheersing.’

Dorothy Keur deed precies dat. Ze schreef: ‘Gehoopt wordt dat dit onderzoek inzicht zal geven in het culturele patroon van Nederland en het gedrag van Nederlanders, hetgeen kan bijdragen aan het ontwikkelen van manieren om ongeletterde groepen – in het bijzonder in Indonesië – te helpen in het kader van het Point Four-programma.’

Het Point Four-programma was een economisch hulpprogramma van de Amerikaanse president Truman, gericht op ontwikkelingslanden met als doel de levensstandaard te verhogen door Amerikaanse kennis te delen op gebieden zoals landbouw, gezondheidszorg en industrie. Het moest landen helpen onafhankelijk en sterk te worden, in plaats van satellieten van het Sovjetbewind.

De vraag is uiteraard wat er van de verzamelde kennis over het dorp Anderen is gebruikt om, plat gezegd, Indonesië en andere ontwikkelingslanden uit de klauwen van de Sovjet-Unie te houden. Ik had het Hakkenes graag gegund – het had de kroon op zijn onderzoekswerk kunnen zijn – maar helaas is de invloed van het gemeenschapsleven in Anderen op het wereldtoneel niet (meer) vast te stellen.

Wel achterhaalde Hakkenes iets over de receptie van het onderzoek in Anderen. Het wetenschappelijke vakblad American Anthropologist complimenteerde de Keurs, omdat hen de eer toekwam als eerste buitenlandse sociale wetenschappers een veldstudie van een Nederlands dorp te hebben geschreven. Het boek was daarom een waardevolle bijdrage aan de etnografie:

‘John en Dorothy schenen, afgaand op de inleiding van hun boek, de ambitie te hebben om aan te tonen dat de inwoners van Anderen zo ‘diepgeworteld’ en traditionalistisch waren als gevolg van de natuurlijke omgeving waarin ze leefden: op moeilijke grond in een gebied dat lastig te bereiken was.’

In die opzet, vond de recensent American Anthropologist, waren de Keurs niet geslaagd. Ze ontkrachtten hun eigen stelling juist. Uit hun boek viel op te maken dat het fysieke isolement van het dorp allerminst had geleid tot een cultureel isolement, waarbij mensen zich neerlegden bij de omstandigheden. Hadden ze niet de heide – waar alleen schapen konden grazen – ontgonnen tot akkerland dat ze vruchtbaar maakten met zoiets moderns als kunstmest? Wie The Deeply Rooted las, kon niet anders dan concluderen: de mensen in Anderen legden zich niet neer bij de fysieke omstandigheden waarin ze leefden –  ze zetten die omstandigheden juist naar hun hand.

De bewoners van Anderen waren net Amerikanen, zou je bijna zeggen.

‘Anderen. Een Drents dorp, de Koude Oorlog en de lange arm van de CIA’ van Emiel Hakkenes is een uitgave van Alfabet. Prijs 24,99 euro (288 blz.) Hakkenes is 10 oktober te gast in De Literaire Hemel in Amen.