
Een van de boeken die mij zeer heeft aangegrepen, is Juni van Gerbrand Bakker. Ik recenseerde de roman voor Dagblad van het Noorden in 2009 onder de kop: ‘Soms is zwijgen vanzelfsprekend’. Vijf sterren kende ik toe. Onder de recensie stond een kort interview met de schrijver, die vertelde dat hij vijftien jaar aan Juni had gewerkt.
Dat ik hieraan terugdenk, heeft te maken met de publicatie van het nieuwste boek van Bakker, zijn vierde bijdrage aan de reeks Privé-domein van uitgeverij De Arbeiderspers. In Aan mij heb je niks vertelt hij over veel wat hem de laatste tijd bezighoudt, maar vooral over de invloed die de dood van zijn jonge broer nog altijd op hem uitoefent.
Dat drama wordt in Juni beschreven als een ongeluk waarbij een meisje om het leven komt nadat ze is aangereden door het Volkswagenbusje van de bakker. In Aan mij heb je niks schrijft Bakker over een verdrinkingsdood op zaterdagmiddag 29 juni 1969 van de bijna tweejarige Ariën Bakker, die aan de rand van een sloot met een hond had zitten spelen.
Tijdens een archiefbezoek in Alkmaar leest de schrijver een ANP-bericht in de Schager Courant, waarin het volgende staat: ‘Hoewel de jongen maar kort in de sloot had gelegen, was hij reeds buiten bewustzijn toen hij op het droge werd gebracht. Hij overleed later in het St. Lidwina-ziekenhuis in Den Helder. Tijdens het vervoer per ambulance heeft men doorlopend mond-op-mondbeademing toegepast.’
Een jaar later, op dinsdag 30 juni 1970, werd aan de Floraweg in Roelofarendsveen de tweejarige Fred van Ruiten op de keukentafel gelegd. Zijn vader, 37 jaar, had hem vanuit de verte langs de walkant in een sloot zien drijven en zwemmend uit het water gehaald. In de keuken duwde een agent op de buik van de drenkeling, waarna slootwater met kroos uit diens mond ontsnapte. Een paar dagen later werd hij begraven.
Geen krant die erover berichtte.
In het begin van Aan mij heb je niks vertelt Gerbrand Bakker over een bezoek aan Istanbul, waar hij tijdens een lezing door een vrouw wordt gevraagd of hij in God gelooft. Zijn antwoord is ontkennend en gaat gepaard met de verklaring dat hij graag zelf de verantwoordelijkheid neemt voor alles wat hij doet of laat. Bakker vindt het te makkelijk om die verantwoordelijkheid bij een hogere macht te leggen.
Dan schrijft hij dit:
‘Maar ineens kwam er iets omhoog, er was iets in haar vraagstelling geweest dat dat losmaakte en ik praatte, weer zonder nadenken, door. Over dat broertje, dat mijn moeder dan wel vergeten kan zijn, maar ik niet, en dat ik hem zag, meerdere keren. Niet in een droom, maar in een wakend leven, zelfs een keer op een vakantie in Norg, waar hij over mijn opgetrokken knieën in bed kroop, en dat hij telkens ietsje ouder geworden was, alsof hij met mij meegroeide, of ik met hem.’
De passage loopt door; Gerbrand Bakker is stilistisch een groot schrijver: ‘En dat ik dat weliswaar vreemd en ook wel beangstigend vond, maar dat het aan de andere kant volstrekt normaal was en toen zei ik, ik verbaasde mezelf enorm: “If anything, there is my God.” En daarna brak ik, ik kon niet verder.’
Jopie van Ruiten-Hoogenboom, nog geen maand geleden werd ze 92 jaar, op nog geen honderd meter van de plek waar ze in 1933 ter wereld kwam, ze hoeft de straat maar over te steken — ooit was het een sloot — denkt iedere dag aan haar verdronken zoon. Zijn dood stuurde haar leven. Haar man Jan, 1 september wordt hij 93 jaar, bezoekt dagelijks aan de Floraweg de akker langs de sloot waarin zijn zoon is verdronken.
Als Aan mij heb je niks ergens over gaat, dan is het over de drijfveer van het schrijverschap van Gerbrand Bakker. Die veer is gespannen op zaterdagmiddag 29 juni 1969.
Op bladzijde 351 schrijft hij: ‘In werkelijkheid is het waarschijnlijk zo dat de zevenjarige die ik was, aanvoelde dat het verdriet over het verdrinken van Ariën bij mijn vader en moeder lag. Hoe mijn broers en zus dat aanpakten, weet ik niet, maar ik bevroor. Vechten was geen optie, want waar moet je in zo’n omstandigheid tegen vechten? Vluchten? Waarheen? Wat bevriezen inhoudt, weet ik niet, maar het is alsof dat wat gebeurd was in mijn lijf is gaan zitten, naar binnen is geslagen.’
Tot zover Gerbrand Bakker. Over wie ik in de recensie van 2009 schreef dat hij een schrijver is die alles in zich heeft om een unieke plek in de Nederlandse literatuur te veroveren. En vast te houden.
Dinsdag 30 juni 1970 was een warme dag. Geen dag om te bevriezen, maar om te vluchten. Niet alleen in boeken.