Afgelopen zaterdag, nog voor de uitreiking van het Hendrik de Vries-stipendium voor beeldende kunst aan Reynaert Vosveld, sprak ik met Marthe van de Grift, de vorige winnaar van voornoemd stipendium. Het gesprek vond plaats in een zaaltje in het Centrum Beeldende Kunst Groningen waar een expositie met haar werk is ingericht.

Van de Grift droeg een t-shirt met het opschrift ‘Toiletpaper’. Ik vroeg haar naar de betekenis. Ze verwees naar het kunsttijdschrift van Maurizio Cattelan.

In het zaaltje is te zien wat Van de Grift dankzij het stipendium – 6000 euro en 1000 euro voor een coach – het afgelopen jaar heeft kunnen doen en maken. Wat ik zag kon ik niet goed plaatsen. Wat Van de Grift mij vertelde kan ik niet navertellen. Wat ik bij het verlaten van het zaaltje meenam, was het verwarrende gevoel dat ik kort in een mij vreemd universum was geweest.

En dat was ook zo. Het universum van de dingen heet de presentatie van Van de Grift.

Een paar dagen later keerde ik naar het CBK terug om te zien of ik er nu wel ‘iets’ mee kon. Misschien iets over schrijven voor de krant. Zo’n verslag over de uitreiking van een stipendium is natuurlijk aardig, maar het gaat uiteindelijk om wat die winnaars met dat stipendium doen. Hoe het overheidsgeld ze verder helpt. Of ze met behulp een talentenprogramma hun vermeende talent in resultaat weten om te zetten.

Ter voorbereiding las ik het jury-rapport van 2018:

‘Marthe van de Grift ontrafelt systematisch het alledaagse, biedt de kijker inzicht in hoe wij waarnemen. Zij weet op de juiste manier haar persoonlijke fascinaties en twijfels te delen met het publiek en maakt onzekerheden daardoor algemeen geldig en dragelijk. De vorm waarin zij dit doet is prikkelend, esthetisch sterk, maar nooit louter decoratief.’

Ook bracht ik een bezoek aan het blog dat Van der Grift heeft bijgehouden over de totstandkoming van haar CBK-presentatie. Ik las een grote hoeveelheid woorden vervat in de taal van een jonge beeldend kunstenaar met een fascinatie voor ‘het proces’ en ‘onderzoek’, een kunstenaar die aandacht wil vestigen op het materiaal en de structuur en kleur niet essentieel en buitenkant vindt. Enzoverder, enzooorts.

Ik las:

“In mijn opdrachten zoek ik altijd naar een overdrijving van de werkelijkheid, en een succesvolle overdrijving zit ‘m ook in het overdrijven van de essentie van het beeld of concept. In mijn vrije werk ben ik, naast het verschil in hoe ik de essentie van een ding behandel, meer op zoek naar materialiteit. Mijn vrije werk is veel subtieler en nodigt de kijker uit om verder te onderzoeken, volgens mij. Een soort vraagstuk zonder antwoord.”

Terug in het CBK trof ik geen publiek aan. CBK-medewerker Pieter Duijser schakelde een beamer in waardoor ik buiten het zaaltje ineens een projectie kon zien. Op een witte muur zag ik een jonge vrouw schimmig worstelen met een plastic stoel, alsof ze niet wist hoe ‘m te gebruiken. In het zaaltje klonken de bijbehorende geluiden. Hier zoekt iemand naar zijn plek, concludeerde ik.

Daarna herlas ik de tentoonstellingstekst. Zaterdag had Van de Grift mij al gewezen op de doorhalingen in die tekst, niet alleen alsof ze bij nader inzien anders was gaan denken over wat ze wilde laten zien, maar ook omdat ‘dingen’ nooit helemaal af zijn en onze inzichten voortdurend aan verandering onderhevig zijn.

Hoe leg ik dit uit aan mijn moeder, dacht ik. Hoe krijg ik dit fatsoenlijk in de krant?

Misschien moest ik in plaats van lezen en nadenken maar gewoon eens gaan kijken.