Ik lees voor de boekenpagina’s van Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant het boek Aan de grond in Londen en Parijs van George Orwell. Het betreft hier een nieuwe vertaling van het uit 1933 stammende werk, dit keer door Arie Storm.

In zijn nawoord gaat het uiteraard weer over de vraag wat wel en geen literatuur is. Wat Orwell schreef was lange tijd voor Storm geen literatuur. Daar komt hij nu op terug. Iets wordt blijkbaar pas literatuur als Arie Storm in de buurt is. Bijzonder. Hij besluit zijn nawoord aldus:

“Ik vond het een eer Down and out in Paris and London te vertalen, want vertalen is een vorm van langzaam en aandachtig lezen. En door Orwell word je voor die moeite ruimschoots beloond.”

Ja, inderdaad, dat is vreemd: het oorspronkelijke boek heet dus Down and out in Paris and London en na behandeling van Storm heet het Aan de grond in Londen en Parijs.

De oorspronkelijke titel is langer. En juister. Het boek, dat in twee delen uiteenvalt, begint immers in Parijs, waar Orwell zijn tijd als keukenhulp – Storm heeft steeds over een plongeur – in allerlei restaurants en hotels beschrijft. In het iets grimmiger deel twee reist hij vervolgens naar Londen waar hij een zwervend bestaan leidt en in allerlei vreselijke opvanghuizen overnacht.

Beide delen gaan over leven in armoede. Op bladzijde 19 schrijft Orwell daarover het volgende:

‘Je hebt vaak over armoede nagedacht – je hele leven heb je er vrees voor gehad, je wist dat je er vroeg of laat in zou belanden; en het is allemaal zo volstrekt en op een prozaïsche manier anders. Je dacht dat het vrij eenvoudig zou zijn; het is buitengewoon ingewikkeld. Je dacht dat het verschrikkelijk zou zijn; het is voornamelijk smerig en vervelend. Het is het bijzonder gênante van armoede waar je het eerste achter komt; dat je voortdurend ergens anders heen moet, de onaanzienlijkheid ervan, wat er opeens door aan het licht komt.’

Vervolgens beschrijft hij een verlammend bestaan en wel zo dat je als lezer begint te begrijpen waarom armen arm blijven, wat ze ook proberen, hoe hard ze ook werken, ze zitten in een fuik en komen daar niet meer uit. Ik zou hier nu iets kunnen opmerken over de actualiteit, maar ach, bezoek daarvoor de website van de Socialistische Partij.

Ondanks de ellende valt er ook wel een en ander te lachen in de Parijse vertellingen. Bijvoorbeeld dankzij een vriend die wordt opgevoerd, Boris, die het boek iets Russisch en tragi-komisch geeft. Maar ook dankzij het vooruitzicht op een betere baan van de twee bij een mysterieus, veelbelovend hotel dat maar niet wordt geopend. En dankzij een opmerking als ‘scherpe messen zijn hét geheim van een succesvol restaurant’.

Op bladzijde 94 staat het volgende, wat mij betreft, schitterend stadsbeeld:

‘De lucht leek op een grote, vlakke kobaltblauwe plaat, met daken en torenspitsen van zwart papier erop geplakt’

Het Londense deel is qua opzet weinig anders dan het Parijse deel. Wederom beweegt Orwell zich aan de onderkant van de samenleving en beschrijft hij met veel mededogen wat hij ziet en meemaakt. Wederom sluit hij met een persoon een soort vriendschap en probeert hij bij de lezer begrip te kweken voor het lot van in dit geval de zwerver.

Citaat bladzijde 183:

‘Bedelaars werken niet, wordt gezegd; maar wat ís werk? Een grondwerker werkt door met een houweel te zwaaien. Een boekhouder werkt door cijfers bij elkaar op te tellen. Een bedelaar werkt door in weer en wind buiten te staan en krijgt spataderen, chronische bronchitis enz. Het is een vak zoals elk ander vak, natuurlijk tamelijk nutteloos – maar daar staat tegenover dat veel gerespecteerde beroepen tamelijk nutteloos zijn.’ Karel van het Reve had het net zo kunnen opschrijven.

Nu weer verder lezen.