Woonde zaterdag in het CBK te Groningen de uitreiking van het Hendrik de Vries-stipendium bij en keerde ietwat verward huiswaarts. Niet vanwege de duur van de bijeenkomst, al had een uurtje minder beslist geen kwaad gekund, maar vanwege de juryverklaring vooraf. Daarin maakte voorzitter Jantine Wijnja duidelijk waarom er dit jaar geen stipendium voor schrijvers kon worden uitgereikt.

Kort samengevat kwam het er op neer dat er (a) te weinig schrijfplannen waren ingediend en (b) dat de vijf wel ingediende plannen niet goed genoeg waren voor honoring.

De jury trok het zichzelf aan. “Ten eerste willen we het stipendium Literair zichtbaarder maken”, klonk het vanachter het boetekleed.

Vervolgens zette de jury de poort voor jonge Groninger schrijvers met plannen wijder open dan ooit: “Literatuur kan allerlei gedaanten aannemen – van spoken word tot motion comic of digitaal feuilleton. Wij vinden dat het bij uitstek past bij het Hendrik de Vries-stipendium om die vormvrijheid aan te moedigen en mogelijk te maken. Het oeuvre van Hendrik de Vries was categorie-overschrijdend; de aanvragen voor het stipendium in zijn naam moeten dat ook kunnen zijn.”

Wat is dat toch met schrijvers, dacht ik in de auto. Ligt er ergens geld op een plank, zijn ze te klein of te lamlendig om er een greep naar te doen.

Thuis herlas ik een eigen krantenstuk van kort geleden, nog van voor het veelbesproken PISA-onderzoek:

‘Het begint al op de basisschool, waar het taalonderwijs onder druk staat door bijna alles. Van een tekort aan goed opgeleide leerkrachten tot en met lesprogramma’s die óók héél belangrijk worden gevonden.

Het zet door op middelbare scholen, waar scholieren nauwelijks nog lezen en moeite hebben met Nederlands spreken. Waar taalvakken worden uitgekleed en de verplichte leeslijst inmiddels zo is ingekort dat jongeren van de weeromstuit hun vrije tijd vullen met een werkwoord waarvan ze de Nederlandse vertaling niet kennen: gamen.

Dan moet er nog een studie gevolgd, bij voorkeur geen Nederlands, maar iets waar de voertaal in toenemende mate Engels is. Omdat iedereen tegenwoordig toch al Engels praat, in de horeca, in de reclame, in de winkels, op datingsites en de ‘socials’. Omdat de vacatures in het Engels zijn opgesteld wat de carrièrekansen zou vergroten, hoewel 90 procent van de Nederlandse bevolking levenslang met Nederlandstaligen werkt.

Met als gevolg de instelling van een Direct Duidelijk Brigade met taalcoaches die ambtenaren moeten helpen bij het gebruik van klare taal zodat burgers begrijpen wat de overheid wil. Sluiting van bibliotheekfilialen en ombouw van bibliotheekcentrales tot ‘informatievindplaatsen’. Extra geld voor de bestrijding van laaggeletterdheid, een oud probleem dat steeds groter wordt. En vervolgens opnieuw een uitbreiding van leesbevorderingsprogramma’s, van peuters tot en met bejaarden.’

Spoken word. Motion comic. Digitaal feuilleton. Het zijn armoedige tijden voor de Nederlandse taal. Stipendium klinkt mooi, maar het is weinig anders dan een duur woord voor toelage.