
Dit voorjaar bezocht ik kasteel Nijenhuis in Heino, onderdeel van museum De Fundatie. Alwaar mijn ogen in een van de kamertjes bleven haken aan twee vissen. Dat zie je niet vaak, geschilderde vissen, dacht ik. Althans, ik niet. Bij het lezen van het bijbehorende tekstbordje bleek om kabeljauwen te gaan, gevangen door ene Gerrit Willem Dijsselhof.
Ik was deze Gerrit Willem alweer bijna vergeten toen ik een paar weken later een rondleiding kreeg in kunsthandel Simonis & Buunk. Ik bezocht het bedrijf namens Dagblad van het Noorden voor een artikel over de handel in Ploeg-schilderijen, in Ede hebben ze een collectie van honderd Ploegers. Maar ook andere spullen.
Opnieuw sprongen mij de vissen in het oog, een schooltje goudvissen dit keer, geschilderd door dezelfde Dijsselhof. Hoe deed hij dat, zo onder water, vroeg ik mij af. Frank Buunk vertelde daarop over het bestaan van aquaria waar je als schilder best een uurtje naar kon kijken om er later een doekje van te maken. Ik bestempelde mezelf als stom dat ik daar niet aan had gedacht.
Onlangs sjeesde ik door het Gemeentemuseum van Den Haag. Verdraaid: alweer die Dijsselhof. Dit keer niet alleen schilderijen maar ook meubels als onderdeel van een tentoonstelling met Art Nouveau, de nieuwe kunst rond 1900. Dijsselhof, zo las ik, was in die tijd één van de begeerde jongens. Schilders als Breitner, Witsen en Mesdag zouden om zijn werk hebben gevochten.
Weer thuis schafte ik mij een boek over Dijsselhof aan, Dwalen door het paradijs, waarin dit alles door de auteur Yvonne Brentjens wordt bevestigd. Al lezend leerde ik dat Dijsselhof in 1866 geboren is in de buurt van Zwolle en op relatief jonge leeftijd naam maakte met olieverfschilderijen en aquarellen met verstilde onderwaterdecors. Het leverde goed geld op, maar begon hem te vervelen.
Liever hield hij zich naar de mode van de tijd bezig met wat we nu kunstnijverheid noemen: meubels, interieurs, boekbanden. ‘Als kunstnijveraar liet hij geen enorme productie na, daarvoor was hij te zeer een ontwerper die het ontbrak aan realiteitszin’, schrijft Brentjens. ‘Hij was een dromer, een perfectionist en utopist. En hoe hard hij ook heeft gewerkt, hoe gedurfd hij ook heeft geëxperimenteerd, het overgrote deel van zijn werk bleef steken in studies, proefmodellen en probeersels.’
Omdat een mens ook toen niet van probeersels alleen kon leven, raakte Dijsselhof in de problemen: zijn geld raakte op. Met als gevolg dat hij op het einde van zijn leven opnieuw vissen ging schilderen. Dat deed hij met enige tegenzin, tot zijn overlijden in 1924. Uit een overlijdensbericht in het Algemeen Handelsblad:
‘Thans heeft den dood den voorbeeldige levensarbeid afgesloten, die in velerlei richting baanbrekend is geweest en zich, onder gunstiger omstandigheden, stellig langs breeder banen ontwikkeld zou hebben. Maar ook op den weg, die tenslotte den zijne werd, heeft Dysselhof zich onderscheiden als een kunstenaar van, voor ons land, zeldzame gaven: als de schoonste Hollandsche visschenschilder van zijn tijd.’
‘De weg die tenslotte den zijne werd’, dat vind ik mooi gezegd.