Bijgestaand door bibliotheekdirecteur Marchien Brons en onder voorzitterschap van hotelier Hans ten Cate is woensdag het laatste juryberaad gehouden voor Culturele Aanmoediginsprijs van de gemeente Emmen. De winnaar van 2015 is bekend. Het mag alleen nog niet naar buiten worden gebracht.
Zo gaan die dingen. Het leven zit vol geheimen.
De keuze werd gemaakt na weging van publieksstemmen én de jurybeoordeling van vier genomineerden. In alfabetische volgorde, waarbij de eerste letter telt: Arjan Linker, Evert Hoven, Stichting Noord-Nederlandse Pianodagen en Winston Scheper.
De bekendmaking van de winnaar is op vrijdag 8 januari 2016 tijdens de nieuwjaarsreceptie van de gemeente Emmen in Theater de Muzeval.
In de boekenkast op de redactie van Dagblad van het Noorden ontdekte ik onlangs het boek Bestsellers in Nederland. 1900 – 2015 van Garant, een 'informatief- en algemeen-wetenschappelijke uitgeverij voor studie, praktijk en onderzoek'. Het bleek het tweede deel in de mij onbekende reeks 'colleges literatuur'.
De naam van de auteur kwam bekender voor: Erica van Boven, hoofddocent moderne Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daar ik net begonnen was in een boek van een collega van Van Boven, Bloed en rozen van Jacqueline Bel, bleef Bestsellers in Nederland aanvankelijk even liggen.
Maar op een gegeven moment begon ik het naast Bloed en rozen te lezen. Dat ging heel goed, niet alleen omdat beide titels deels dezelfde periode in de literatuurgeschiedenis beschrijven, ook omdat Van Boven in haar boek gegevens verstrekt die Bel heeft laten liggen.
Het gaat daarbij vooral om gegevens over de boekenmarkt zoals die zich in eerste helft van de vorige eeuw heeft ontwikkeld. Bij Bel kom je eigenlijk niet te weten hoe groot en sterk de wereld is die zij beschrijft. Bij Van Boven, die zich minder op de inhoud en meer op de presentatie van het boek richt, kom je dat wel te weten – ze neemt de verkoop van het boek als uitgangspunt.
Bestsellers doen het altijd goed.
Niet zelden krijg ik een collega aan mijn bureau met de suggestie om eens aandacht te besteden aan een boek 'dat op dit moment zoveel gelezen wordt' en 'een regelrechte sensatie is'. Veelal gaat het dan om thrillers van buitenlandse auteurs, of boeken uit de binnenlanden waar in 'mijn kringen' al heel veel aandacht voor is geweest en die eindelijk 'zijn gaan lopen'.
Waarom zou je aan een bestseller aandacht besteden? Het woord bestseller zegt het al deels: het boek heeft reeds zijn weg naar de lezer gevonden, in enorme oplagen. Veel nieuws valt er niet meer te melden. Tegelijkertijd hebben populaire onderwerpen altijd een bepaalde nieuwswaarde. Het feit dat iets een bestseller ís zou daardoor enige aandacht rechtvaardigen.
Schrijven over lezen is vaak ook tobben, en het gaat allemaal van de leestijd af. Met als gevolg dat boeken die geen bestsellers worden of zijn, buiten beschouwing blijven. Wat soms jammer is. Het feit dat een boek niet veel wordt gekocht en gelezen, of zelfs totaal niet wordt opgemerkt, zegt vaak niets over de kwaliteit van dat boek. Het feit dat een boek wél veel wordt verkocht zegt – vermoedelijk – iets heel anders.
Dat laatste laat Van Boven zien in Bestsellers in Nederland. 1900 – 2015. Ze staat stil bij innovaties die bestsellers mogelijk hebben gemaakt – verbeterde druktechniek rond 1900, de doorbraak van de pocket rond 1960 en de optimalisatie van marketing rond 1990 – en beschrijft vervolgens de vele gedaanten, het belang en de waardering voor bestsellers.
Het boek van Van Boven is van de eerste tot de laatste bladzijde interessant. Vanwege de tegenstelling modeboek versus klassieker, vanwege het fenomeen Connie Palmen en vanwege het permanente dedain voor boeken die door iedereen worden gelezen, maar door kenners maar heel zelden worden gewaardeerd.
Aangemoedigd door het enorme enthousiasme van de oude media, Eric Nederkoorn en Bert Wagendorp voorop, bezochten ook wij zondag de tentoonstelling David Bowie Is in het Groninger Museum. We hadden er mooi weer bij. Zo mooi zelfs dat aanlokkelijk was om níet in de rij wachtenden aan te schuiven en door te lopen naar Het hoge land. Maar ja, we hadden nu eenmaal via internet die kaartjes gekocht.
Het wachten viel mee, dankzij het aangepaste entreebeleid. Het museum heeft berekend dat de tentoonstelling vierhonderd bezoekers per uur aan kan. Dat betekende zondag een paar minuten wachten bij de mensen met de scanners bij de trap naar beneden. En vervolgens iets langer in de rij bij de mensen met de headsets op de trap naar boven.
En toen stonden we ineens uitgedost met gadgets langs de ruggen en over de schouders van anderen te turen naar 'iets' over het geboortehuis in Londen en daarnaast een velletje met kinderfoto's van David Robert Jones. Veel persoonlijker zou de tentoonstelling niet worden. Jones creëerde al op jonge leeftijd een podiumpersoonlijkheid die steeds weer weet te verrassen en binnenkort met een nieuw album komt, Blackstar.
(Het Britse muziektijdschrift Mojo plaatste eerder deze maand al een recensie van die plaat – vier sterren – en trekt een vergelijking met Station to Station: "Epic multipart title-track opener, seven songs in 41 minutes, odd atmospherics, rhythmic theft, tremendous singing." Blackstar verschijnt op 8 januari, de dag dat Bowie 69 jaar wordt.)
David Bowie Is is een knap gemaakte tentoonstelling. Door de vormgeving vergaten we zondag aanvankelijk dat we ons in het Groninger Museum bevonden. De omringende duisternis – de expositie is nogal donker, alsof hier zeldzame tekeningen van Rembrandt worden getoond, terwijl het in werkelijkheid veelal posters en Britse kladblokblaadjes zijn – en de afleidende muziekfragmenten op onze headset en daarbuiten daar zeker een rol bij.
Het Bowie-publiek is een verhaal apart: witte vijftigplussers die de welvaart en de bom nog bewust vrezend hebben meegemaakt. Het was mooi om te zien hoe zij terug in de tijd werden geslingerd, af en toe zelfs voorzichtig met de headset meebewogen om vervolgens weer stil te vallen. De muziek van Bowie is nooit uitbundig geweest, eerder gekunsteld. Dat maakt de combinatie dansen en spontaniteit nogal ingewikkeld.
Ondertussen had ook het kijken naar de ongegeneerde uitstalling van spullegies die door 'de meester zelf' zijn bewaard en verzameld iets ongemakkelijks. IJdelheid is het juiste woord niet, en narcisme net zomin, het gaat tenslotte niet over Jones, maar over Bowie. Die zelf blijkbaar zijn grootste fan is. En dus ook niet te beroerd blijkt om in een kleine vitrine het sleutelbosje te tonen dat halverwege de jaren zeventig toegang gaf tot zijn appartement in Berlijn.
Bowie komt er in zijn eigen tentoonstelling niet slecht van af. The laughing gnome wordt bijvoorbeeld zorgvuldig op de achtergrond gehouden, zijn Hitler-groet voor wachtende journalisten op een Londens treinstation in de jaren zeventig doet er niet toe, over zijn zakelijke manoeuvres in de jaren tachtig en negentig komen we weinig te weten, de ontvangst van zijn werk door critici blijft buiten beschouwing.
Het draait in de tentoonstelling niet om het biografische, maar om het artistieke, om wat hem beïnvloedde, wat hem inspireerde en wat hij daar vervolgens mee deed. Wat niet beslist gering is geweest.
De waarde van Bowie zit er – ook – in dat hij zijn invloeden altijd zichtbaar heeft gemaakt. Waardoor zijn fans kennis kregen aan mime, vaudeville, Velvet Underground, George Orwell, Bertolt Brecht, Iggy Pop, Peter and the Wolf, Klaus Nomi, Brian Eno, Joseph Merrick, een trits aan fijne gitaristen onder wie Mick Ronson, Robert Fripp, Adrian Belew en Nile Rodgers, fa-fa-fafashion, video, The snowman and the falcon et cetera.
Nou ja, enfin. David Bowie Is eindigt bovenin het Groninger Museum, in het paviljoen van Coop Himmelb(l)au, waar op listige wijze de indruk wordt gewekt dat we een liveoptreden mogen bijwonen. Wat heel aardig lukt. Tot we terugdenken aan die twee keer dat we hem zelf live mochten aanschouwen. Heel in de verte: in 1983 tijdens de Serious Moonlight Tour in Rotterdam en in 1990 tijdens de Sound + Vision Tour in Nijmegen. In beide gevallen was dat niet best.
Hij is weer op dreef. In de cultuurbijlage Vrijdag van Dagblad van het Noorden haalt Jean Pierre Rawie herinneringen op aan de tijd dat hij in de redactie zat van 'het te Groningen verschijnende starische tijdschrift De nieuwe clercke (waarin opgenomen De frisse wind).' Dat ging uiteindelijk niet goed, vertelt hij. Wegens verregaande nalatigheid gooiden zijn collega's hem er uit. En dan komt het:
"Wat is er later van al deze genieën geworden? Voor Driek (in 2010 gestorven) en mij was het blaadje de eerste mogelijkheid eigen werk in druk te zien, maar Hans, die meesterlijke absurdistische verhalen schreef, is daar verder – nog? – niet mee naar buiten getreden, en naar men fluistert geheim agent geworden. Rob heeft een tijdje furore gemaakt als Komrij-imitator, maar na de dood van zijn voorbeeld heb ik weinig meer van hem mogen vernemen; ook hier zat het hem niet mee."
Verder in de bijlage een verhaal van Asing Walthaus over de nieuwe Starwars-film (geschreven op de toon 'kan niet mislukken') een stuk over de geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900 – 1945 (op de toon: wat moet je ermee?), twee pagina's boekrecensies (waarin opgenomen de rubriek 'Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven'), film- en cdbesprekingen en aandacht voor beeldende kunst.
Dat alles voor de vriendenprijs van 1 euro 75. Bijna overal te koop in sigarenmagazijn en papierkiosk.
Anne van der Meiden aan de telefoon: "Met Van der Meiden uit Nijverdal, goedemiddag. Ik bel over een stukje dat in uw krant heeft gestaan." Ik wist meteen welk stukje hij bedoelde.
Op de cultuurredactie van Dagblad van het Noorden is soms behoefte aan kortjes, korte berichten waarin iets staat wat lezers in Drenthe en Groningen mogelijk interesseert. Voor de krant van dinsdag maakte ik er drie: een over de Stripschapprijs voor Maaike Hartjes, een over de Vasalis-cd van het Noordpool Orkest en Janne Schra en een over de A Christmas Carol-vertaling van Anne van der Meiden.
Boven dat laatste kortje zette ik de kop 'A Christmas Carol in het Nedersaksisch'.
"Mijnheer, ik heb A Christmas Carol niet in het Nedersaksisch vertaald", hoorde ik Van der Meiden uit Nijverdal zeggen. Buiten was het prachtig weer. Ik voelde een bui hangen. "Nedersaksisch bestaat niet. Nedersaksisch is een aanduiding voor een taalgroep. Mijn vertaling is in het Twents", ging Van der Meiden verder.
Daarop vertelde ik dat ik het woord Nedersaksisch doelbewust had gebruikt. "In het verspreidingsgebied van onze krant wordt Drents en Gronings gesproken, in allerlei varianten. Gemakshalve gooien wij die varianten op de hoop die Nedersaksisch heet, zodat we allemaal weten waar we het over hebben en geen discussie krijgen. Doen we dat niet, dan wordt het te ingewikkeld."
Van der Meiden hoorde het geduldig aan. "Ik sprak laatst Hans Gerritsen, de oud-burgemeester van Haaksbergen. Die zet zich in voor de erkenning van het Nedersaksisch door de Tweede Kamer", reageerde hij. "Alleen dan ben ik het eens met het gebruik van de term Nedersaksisch. Verder nooit. Mijn vertaling van Dickens is in het Twents."
Op vriendelijke toon vertelde ik dat stukjes over het Nedersaksisch altijd tot gedoe leiden. Een dag eerder was bij de krant een mail binnengekomen waarin ik er fijntjes op werd gewezen dat wijlen dichteres/schrijfster Greetje Marquering – Teuben A Christmas Carol al in 1990 in het Gronings vertaalde, onder de titel Schroaper en Maaier. Alsof het een wedstrijd was. Tijdens gloedvolle, enthousiaste lezingen zou ze in de decembermaanden veel bijval hebben gehad als dit werk ten gehore werd gebracht.
Van der Meiden kende de versie van Marquering. "Ik zou het geen vertaling willen noemen", reageerde hij. "Eerder een bewerking, met prachtig Gronings overigens. Er bestaat wel een vertaling in het Fries, van Jabik Veenbaas. Maar de mooiste die ik ken, is gemaakt door Anton Coolen."
Daarna spraken we nog wat over Dickens. Over het bestaan van een Dickensroom in Haren. Over het Charles Dickens Museum in Bronkhorst dat te koop staat. Over een geweldig Dickens-hoorcollege van Jan Lokin. Ik sprak enthousiast en luisterde eerbiedig. Het gebeurde per slot van rekening niet vaak dat ik door Van der Meiden uit Nijverdal werd opgebeld.
Ik prees mezelf in stilte voor mijn domme kop. Nedersaksisch. Het is zo gek nog niet. Toen ik het stukje nog eens na las, viel mij pas op dat er een kapitale fout in stond: 1943.
De geschiedenis van de Nederlandse literatuur – ik was het bestaan vergeten. Totdat, plots, drie weken geleden Jacqueline Bel, hoofddocent Moderne Letterkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, via Twitter de komst van Bloed en rozen aankondigde. Bel had de periode 1900 tot 1945 voor haar rekening genomen, het zesde deel van de geschiedenis.
Ik ben nu op bladzijde 800 in deze turf en heb er derhalve nog 300 te gaan. Woensdag mag ik voor Podium TV in het programma Puur Noord bij Annette Timmer iets vertellen over mijn leeservaring. Twee dagen later, vrijdag, verschijnt een bespreking van het boek in de cultuurbijlage van Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant. Ik moet voortmaken.
Hoe zat het ook al weer? In 1996 besloot de Taalunie dat het weer eens tijd werd om te bepalen waar het allemaal op staat. In 1997 gingen de ministers van onderwijs in Nederland en Vlaanderen akkoord met een voorstel om voor een breed publiek in zeven delen de geschiedenis van de Nederlandse literatuur te beschrijven.
In 2006 rolden de eerste twee kloeke banden uit de drukkerij. De start was geen beste. Hugo Brems, verantwoordelijk voor de geschiedenis van 1945 tot 2005, zou een verkeerde benadering hebben gekozen. "Dunne soep", oordeelde de Volkskrant. "Zijn tombola is reeds bij verschijnen aan vervanging toe. Met dit boek doe je het brede publiek – van kenner tot prinses – geen plezier."
Wat daarna kwam, was wel goed. Uitstekend zelfs. Wie de delen 1 tot en met 5 ergens op de kop weet te tikken, moet dat vooral doen. Wie daar over twijfelt, zou om te beginnen Worm en donder moeten lezen waarin Inger Leemans, Gert-Jan Johannes en Joost Kloek de periode tussen (1700-1800) beschreven. Of anders Alles is taal geworden waarin Wim van den Berg en Piet Couttenier de 19e eeuw behandelen.
Nabije geschiedenis is lastiger te beschrijven dan de geschiedenis waar niemand het fijne meer van weet. Dat nadeel had Brems, dat nadeel heeft ook Bel die voor een chronologisch-schematische benadering heeft gekozen. Haar boek is opgesplitst in delen van steeds tien jaar, waarbij de Eerste en Tweede Wereldoorlog samen opgeteld tien jaar beslaan. Een meeslepend verhaal wordt Bloed en rozen daardoor niet. Het zijn eerder colleges.
Wat niet wil zeggen dat we ons moeten vervelen. Terecht kenmerkt Bel de periode tussen 1900 en 1945 als 'een wervelende tijd met een watervlugge afwisseling van literaire generaties en hun tijdschriften, modes en stromingen. Die turbulentie had een rechtstreekse relatie met een nieuwe maatschappelijke dynamiek, met betere scholing, massificatie, versnelling en democratisering."
Het is jammer dat ze verbanden tussen die twee, literatuur en maatschappij, niet levend weet te krijgen. De jaren 1914 – 1918 lezen als een tamme tijd. Als het over de invloed van jazz en film gaat swingt het nergens. Als de grenzenloze mogelijkheden van de Verenigde Staten en de Sovjet Unie door schrijvers met eigen ogen aanschouwd worden, blijft enthousiasme uit. Ik vrees de Tweede Wereldoorlog.
Terug naar 1900. Het duurt even voor het boek van Bel op gang komt. Dat heeft onder meer te maken met het verschijnsel dat de negentiende eeuw niet in 1900 is afgelopen, maar gewoon doorgaat. Louis Couperus en Albert Verwey blijven bij Bel lange tijd prominent aanwezig. Dat geldt ook voor Cyriel Buysse, de belangrijkste Vlaamse schrijver uit het begin van de vorige eeuw.
Het voortdurend schakelen tussen Nederland en Vlaanderen werkt ook niet fijn. Soms lijkt het dat Bel de aandacht voor Nederland moet verantwoorden door net zoveel aandacht te schenken aan wat er Vlaanderen op literair gebied heeft plaatsgevonden, en andersom. Waarbij ze wel degelijk duidelijk maakt dat aan beide zijden van de grens onder de noemers naturalisme, symbolisme en nieuwe mystieke interessante dingen gebeurden.
Bij afwezigheid van radio en (geluids)film floreerde in beide landen de lees- en schrijfcultuur. Hoe groot, in kwantitatieve zin, de boekenwereld destijds was, komen we – helaas – niet te weten. We lezen dat er naast het massapubliek en markt voor exclusieve, bibliofiele uitgaven ontstond, dat dankzij de invoering van de leerplicht (1900 in Nederland, 1914 in Vlaanderen) een publiek voor jongens- en meisjesboeken kon ontstaan, naast de damesromans, de misdaadromans en de tendensromans.
Het voert te ver om hier de complete geschiedenis samen te vatten, beter is een aantal zaken te noemen die mij opvallen. Zoals het belang van tijdschriften in de eerste helft van de vorige eeuw: De beweging, Van nu en straks, De zilverdistel, De vrije bladen, De Dietsche Warande & Belfort, Groot Nederland, Forum, Opwaartsche Wegen, De stijl, De gemeenschap, Wendingen – de lijst is veel langer. De meeste hielden het maar kort uit en bereikten slechts een kleine kring.
Bel gebruikt ze als leidraad voor haar overzicht, met als gevolg dat het lijkt dat schrijvers aan een tijdschrift verbonden moesten zijn wilde ze er toe doen. Hoe meer lawaai een tijdschrift veroorzaakte, hoe belangrijker de schrijvers werden (en dus worden) gevonden. Wat er aan literatuur in kranten werd gepubliceerd – en moet nogal wat zijn geweest, vermoed ik – speelt zich buiten het gezichtsveld af.
Ook opvallend: terwijl in Nederland werd neergekeken op de streekroman werd die streekroman in Vlaanderen juist geacht en slaagden schrijvers er in dit genre zelfs te vernieuwen. Waarom wordt niet helder gemaakt, vermoedelijk heeft het met de sterkere tegenstelling tussen stad en platteland in Nederland te maken (en hadden de boerenschrijvers in Nederland geen toegang tot de stadse tijdschriften).
Het merkwaardige is dat ondanks de sterke kliekvorming en clubgeest de schrijvers die ook nu nog goed te lezen zijn eenlingen waren: Nescio, Bloem, Leopold, Elsschot, Nijhoff, Van Ostaijen, Bordewijk, Achterberg. En dat die eenlingen, hoewel ze wel degelijk toegang hadden tot de podia, vaak pas veel later op waarde werden geschat (Nescio, Elsschot, Van Nijlen, Minne.)
Alvorens ik mij op de laatste driehonderd bladzijden stort nog even dit. In de eerste helft van de vorige eeuw werden voor het eerst vrouwelijke schrijvers echt serieus genomen. Dat overkwam drie: Henriëtte Roland Holst, Virginie Loveling en vooral Carry van Bruggen – Ida Gerhardt en M.Vasalis debuteerden in 1940, voor hen zijn hoofdrollen weggelegd in het verguisde deel van Hugo Brems.
Dan is het nu weer tijd voor de discussie over vorm en vent.
Je mag zeggen dat ik het trof tijdens mijn bezoek aan Galerie Wildevuur, afgelopen vrijdag. Er waren in Hooghalen niet alleen twee tentoonstellingen te zien – Gerard van de Weerd en de schilders van de Stichting Drents Portret, zie Dagblad van het Noorden vandaag – ze waren daarnaast in de lijstenmakerij bezig met voorbereidingen op een museale tentoonstelling over Harry 'Cuby' Muskee.
In 2016 zou Muskee 75 jaar zijn geworden. Voor het Drents Museum aanleiding om vanaf januari stil te staan bij leven en werk van de in 2011 overleden blueszanger. Dat gebeurt met niet eerder vertoonde filmopnames, geluidsfragmenten, affiches, hoesontwerpen en andere Muskee-memorabilia, waaronder dus ook elpees en singles. Bij Wildevuur doen ze het inlijstwerk. Vandaar.
Gisteren woonde ik voor Dagblad van het Noorden tussen de middag in de bibliotheek van Groningen de bijeenkomst Dichter van geluk bij, een initiatief van Rense Sinkgraven waar dichters mogen vertellen over hun werk leven. Gast was dit keer F. Starik. Een paar weken eerder was zijn tiende dichtbundel verschenen, Staat.
Starik bleek goed van de tongriem gesneden, zoals dat heet. Hij vertelde honderduit: over Adriaan Jaeggi, over de jaren tachtig, over de Willem Kloos Groep, over de Maximalen en wat die hebben betekend, over zijn dementerende moeder en haar hondje, over hoe een lezing in Winsum voor het altzheimercafé het gedicht Winsum, Losesum opleverde.
Pas aan het einde kwamen over zijn inspanningen voor het fenomeen Eenzame Uitvaart ter sprake. 198 doden zijn inmiddels uitgevaren met een gedicht, vertelde hij. Het project is ook naar Antwerpen en Leuven geëmigreerd. Tijdens de Buchmesse in 2016 worden een Duitse en Engelse vertaling van een Eenzame Uitvaarten-boek gepresenteerd.
Terug op de redactie zette ik het op een tikken van een verslagje voor de krant van vandaag. Daarin staat niets over zijn moeder, haar hondje en de export van de eenzame uitvaarten. Daar was geen ruimte voor, omdat ik niet kon weerstaan het gedicht Lege mannen in onze kolommen op te nemen.