Woest en Ledig is tot begin januari op vakantie.
Jaar: 2007 (Pagina 1 van 32)

Op 2 januari wordt de Rijmkroniek van Coevorden, 1407 – 2007 gepresenteerd. Twee dagen eerder is het precies 600 jaar geleden dat Coevorden – als eerste plaats in Drenthe – stadsrechten kreeg. In de uitgave blikken Van Wissen en Rawie met onmiskenbare ironie terug op alle hoogte- en dieptepunten. En net als in de kronieken des Vaderlands leest Willem-Alexander bij wijze van geschiedenisles de regels voor aan zijn oudste dochter:
Mijn wonderkind Amalia,
jij eerste van mijn Trippel A,
jij oudste van ons kippenhok!
je zusjes zijn allang op stok
(je hoort, ik houd als trotse haan
deze rurale beeldspraak aan),
maar jij leent mij een gewillig oor
omdat je zeer geboeid bent door
wat ik van Coevorden vertel:
dat stadje toont als klein model
met zijn voorbeeldige verleden
de werdegang van álle steden,
en dat geheel op eigen kracht.
“Voor deze kroniek hebben we ons uitgebreid laten rondleiden,” verklaart Rawie zich nader. “Ik was nooit eerder in Coevorden geweest. Het was even schrikken. Ik dacht dat het een fraai stadje zou zijn, maar dat viel vies tegen, er is vanalles gesloopt. Het is als vestingstad ontmanteld en daarna in verval geraakt. Er staat een kasteel, maar dat is niet origineel. Het heeft echter wel vloerverwarming.”
Tijdens de excursie werd uiteraard ook een bezoek gebracht aan het Van Heutszmonument – ‘wie kent hem niet, de man die Neerlands grondgebied, verdedigde tot in Atjeh!’ “De cultuurambtenaar wees ons op verfsporen die nog zouden zijn aangebracht door Relus ter Beek. Van diezelfde Relus hebben we een foto laten opnemen waarop hij als defensiechef tussen wal en schip hangt. Hij neemt het eerste exemplaar van de kroniek in ontvangst.”
Om de geschiedenis recht te doen, hebben Van Wissen en Rawie een kolossale berg boeken doorgenomen. De Podagristen komen aan bod (‘De vestingstad beviel hun niet’), maar ook Don Diablo (‘Ooit had je dominee Picardt,/ terwijl nu Don Diablo daar/ onsterfelijke plaatjes draait’). In het notenapparaat worden de namen aangetroffen als Nikolaj Aleksandrovitjs Romanov (vermoord), Mohammed Reza Pahlavi (verbannen), Tafari Makonnen (vermoord) en Chroesjtsjov (huisarrest).
“We worden steeds vaardiger”, vertelt Rawie over het berijmen van gebeurtenissen. “Ik verbaas me erover dat Groningen zich nog niet heeft gemeld voor eigen rijmkroniek.” Wanneer het derde deel van de Rijmkroniek des Vaderlands verschijnt, weet de dichter niet. “Uitgever Bert Bakker heeft in onze ogen te weinig gedaan om het tweede deel onder de aandacht te brengen. We overwegen een eventueel derde deel bij een andere uitgeverij onder te brengen.”
De Rijmkroniek van Coevorden wordt 2 januari gepresenteerd tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van de gemeente Coevorden. De kroniek komt niet officieel in de handel.

Nico ter Linden overkwam twee jaar geleden iets vergelijkbaars toen hij Koning op een ezel publiceerde, zijn hervertelling van verhalen uit het Nieuwe Testament voor jongeren. Ter Linden, schrijver van de reeks Het verhaal gaat…voor volwassenen, werd onder meer fel bekritiseerd omdat hij zijn publiek voorhield dat de verhalen in de bijbel niet waar gebeurd zijn, dat die verhalen niet letterlijk moeten worden genomen.
Voor wie literatuur leest blijft het verbazingwekkend dat mensen beginnen te tieren als iemand noteert dat het verhaal over de ark van Noach geen historisch feit is, maar vóór alles een vertelling over verbondenheid tussen God en de mens. In diezelfde geest is het ook niet van belang dat Jezus werkelijk op Eerste Kerstdag is geboren, als van het Kerstfeest maar begrepen wordt dat het ‘na het donker altijd wel weer licht wordt’.
Ter Linden schreef na Koning op een ezel nog twee boeken: Het land onder de regenboog en De profeet in de vis. Met die laatste, onlangs verschenen uitgave heeft hij zijn hervertellingen van bijbelverhalen voltooid. Zoals een huis niet beoordeeld kan worden na het bezoek aan slechts één kamer, is het nu pas goed mogelijk om zijn werk voor jongeren op waarde te schatten. En het moet gezegd, het is een prachtige trilogie geworden.
Dat is mede te danken aan Ceseli Josephus Jitta, die voor alle delen de illustraties leverde. Het werk van Josephus Jitta is zeer gevarieerd. De ene keer volstaat ze met een simpele tekening gekleurd met waterwerf, de andere keer tekent met stift op een krant waar de schaar in is gezet, monteert ze een foto of gebruikt ze gescheurd papier en textiel voor steeds opvallend expressieve illustraties en collages.
In De profeet in de vis hanteert Ter Linden dezelfde vertelwijze als in Het land onder de regenboog. Opnieuw voert hij Judith en Tobias op. Ze zijn inmiddels ouder, maken zich op voor hun huwelijk, maar wonen nog steeds als bannelingen in Babylon, in afwachting van de terugkeer naar het beloofde land. Oom Ben, de priester, is dood. Zijn plaats wordt ingenomen door Amos die verhalen vertelt van de profeten van het Oude Testament.
Vergeleken met Koning op een ezel, waarin de evangelisten Matteüs en Lucas worden opgevoerd om met elkaar over het leven en de ideeën van Jezus te praten, gaat Ter Linden dit keer veel minder experimenteel te werk. Daar staat tegenover dat hij ook iets minder op de hurken zit. Zingen over ‘borsten als trossen van de wijnstok’ zoals in het Hooglied doet hij nog net niet, maar wel laat hij Simson naar de hoeren gaan.

Ter Linden laat zich er bij herhaling op voorstaan dat hij de bijbel zo’n waardevolle bron van kennis en wijsheid vindt dat die verhalen doorverteld moeten worden, steeds maar weer, ook nu de teksten sinds de nieuwe bijbelvertaling uit 2004 voor iedereen weer goed te volgen zijn. Het simpelweg lezen van het Oude en Nieuwe Testament is hem niet genoeg, er moet ook geïnterpreteerd en uitgelegd worden – hij is niet voor niets begonnen als predikant.
Of hij juist interpreteert en uitlegt, daar mogen de meningen over verschillen. Wel kan geconcludeerd worden dat Ter Linden een milde kijk op de materie heeft, starheid en absolutisme zijn hem vreemd. In zijn bijbelverhalen is ruimte voor verschillende meningen die elkaar aanvullen, in plaats van elkaar afvallen. Het is niet voor niets dat Matteüs en Lucas in Koning op de ezel beide de geboorte van Jezus mogen navertellen.
Het is ook niet voor niets dat Ter Linden zijn geslaagde drieluik besluit met een brief aan ‘alle volken van de gehele aarde’ met als aanhef de vraag ‘Bestaat God?’ Om vervolgens zelf te antwoorden dat God niet ‘bestaat’, maar ‘gebeurt’. Met andere woorden: dat geloven actief is in plaats van passief. En dat de bijbel geen verzameling dode letters is, maar een tekst die leeft zolang er in gelezen en over gesproken wordt.
Boek: De profeet in de vis. Auteur: Nico ter Linden. Illustraties: Ceseli Josephus Jitta. Uitgever: Balans. Prijs: €22,50 (284 blz.) Eerder verschenen: Koning op een ezel (2005) en Het land onder de regenboog (2006)
De stijlkamers in het Drents Museum vormen volgende week het decor voor een theatrale rondleiding met poëzie van de 18e eeuwse dichteres Barbara van Lier. Deelnemers worden daarbij in een opgetuigd Ontvangershuis door een actrice voorgesteld aan mensen uit het leven van de oudst bekende dichteres van Drenthe.
Barbara van Lier (Annen 1751- Assen 1778) was de oudste dochter van Johannes van Lier, de belastinginner van Drenthe. Ze schreef al op jonge leeftijd gedichten en correspondeerde in dichtvorm met de reeds gehuwde Groninger raadsheer en burgemeester Lucas Trip. Ze is de eerste Drentse dichteres wier werk is uitgegeven.
Aan de rondleiding wordt meegewerkt door acteurs die eerder dit jaar de voorstelling De minnedichten van Barbara van Lier hebben gespeeld. Het Ontvangershuis is het oudste nog bestaande huis van Assen. Een rondgang geeft een goede indruk van het dagelijks leven van een welgestelde Drentse familie tussen 1700 en 1900.
Van woensdag 26 tot en met zondag 30 december wordt de 45 minuten durende rondleiding gegeven vanaf 12.00 uur. Kosten €2 euro (exclusief entree museum). Op 27, 28 en 29 december worden rondleidingen gegeven voor groepen. Zie ook www.drentsmuseum.nl.
Studenten van de Hanzehogeschool doen 14 januari een poging om duizenden mensen op de Grote Markt in Groningen het ‘Grunnens Laid’ Van Lauwerszee tot Dollard tou te laten zingen. De studenten willen daarmee een plaats in het Guinness Book of Records bemachtigen.
Het record staat nu nog op naam van Drenthe waar eerder dit jaar 1013 mensen het provinciale volkslied Mien Drenthe ten gehore brachten. De Groningers willen dit aantal in ieder geval verdriedubbelen. Aanleiding voor de recordpoging is het feit dat de stad Groningen meer dan 40.000 studenten kent.
Het uit het hoofd kennen van het regionale volkslied is volgens de organisatie ‘een mooi aandenken aan de studietijd’. Aanmelden kan op de website: www.grunnenslaid.nl. Rondom de recordpoging is een programma samengesteld met optredens van artiesten als Pé Daalemmer en Rooie Rinus en de Groningse coverband All Goud.
Uitgeverij Atlas komt in april met een boek waarin gedichten van Slauerhoff worden verbeeld door jonge kunstenaars. Tekenaars als Merel Barends, Jeroen Jansen en Flip Leemans hebben volgens de uitgever ‘op een geheel eigen wijze een interpretatie in stripvorm gegeven aan zijn mooiste gedichten’.
Voor een interessant voorbeeld zie de website van Gerco Hiddink uit Nijmegen die Afrikaanse Elegie onder handen heeft genomen. Andere medewerkers zijn Marc Legendre, Udo Prinsen, Jelle van de Ster, Judith Vanistendael en Flos Vingerhoets. Eerder werden ook al gedichten van Charles Baudelaire en Victor Hugo verbeeld.

Zes nummer slechts telt Nothin’ Niks Neat Niks. Ze worden vertolkt door Gerrit Breteler, Martin Korthuis en Egbert Meyers die ieder twee teksten van Van Zandt naar respectievelijk het Fries, het Gronings en het Drents vertaalden. Vervolgens namen ze de nummers afzonderlijk van elkaar op – toch klinkt dit eerbetoon opvallend samenhangend.
Breteler pakt groots uit, wat arrangementen betreft. Hij heeft Gerrie Dantuma ingeroepen als tweede stem. Korthuis en Meyers blijven met hun uitgeklede sound dichter bij het ingetogen orgineel. Dat werkt heel goed. Korthuis verrast met zijn Groninger gruizelstem, terwijl de zachte Meyers volop aandacht vestigt op zijn prachtig melancholieke vertaling naar het Drents.
Cd: Nothin’ Niks Neat Niks. A Townes van Zandt Tribute. Door: Gerrit Breteler, Martin Korthuis en Egbert Meyers. Platenlabel: DRC Records.
Schrijvers uit het fonds van van uitgeverij Passage strijken deze week neer op een boot, de Stanfries, die afgemeerd ligt halverwege aan de Lage der A in Groningen. Aanleiding is het maritieme festival Winter Welvaart in de Groninger binnenstad. De schrijvers lezen voor, verkopen hun uitgaven en signeren werk.
Uitgever Anton Scheepstra omschrijft het initiatief als een literair café op een boekenboot, enigszins vergelijkbaar met de optredens op boten tijdens de manifestatie ’Thuis in Groningen’ in oktober. Nu gaat het echter het om meerdere dagen.
Het spits wordt donderdag om afgebeten door Ronald Ohlsen (13.30 uur) gevolgd door Jan Veenstra (15.00 uur) en Karel ten Haaf (19.30 uur). Een dag later volgen Tjitse Hofman (13.30 uur), Kasper Peters (15.00 uur) en Lupko Ellen.
Zaterdag treden de tekenaars van Groningen bij nacht (13.00 uur) en de makers van Bij Hoog en Bij Laag (15.00 uur) op. Het evenement wordt zondag afgesloten door Mowaffk – Al-Sawad (13.00 uur) en Willem Jan van Wijk (15.00 uur). Toegang is steeds gratis.
Fries historisch en letterkundig centrum Tresoar heeft twaalf dichters uit Fryslân gevraagd een vers te schrijven dat te maken heeft met een trajekt van de Elfstedentocht. Het zogeheten Elfstedengedicht zal tijdens Nationale Gedichtendag op 31 januari worden voorgedragen in de plaats van aankomst van het betreffende trajekt.
Inmiddels benaderd zijn Derwent Christmas (Leeuwarden), Henk van der Veer (Sneek), Akke Brouwer (Dokkum), Jelle Kaspersma (Stavoren) en Maria de Groot (IJlst). Tsjêbbe Hettinga tekent voor het ‘finishfers’, aldus Tresoar. Aan het eind van de dag worden alle gedichten gepubliceerd op het literair internettijdschrift www.farsk.nl
Tijdens Gedichtendag wordt in Fryslân een Poëzie-Elfstedentocht gehouden waarbij in elf steden verspreid over de dag dichters optreden, lezers een favoriet gedicht voordragen en liefhebbers vertellen over wat hen boeit in poëzie.

Het aquarelschilderij Dorpsstraat met kinderen in Zweeloo van Max Liebermann is niet in Drenthe gemaakt. Dat zegt conservator Jan Jaap Heij van het Drents Museum in Assen na bestudering van het werk uit 1882 dat door Kunsthandel Simonis en Buunk in Ede te koop wordt aangeboden.
Heij is na samenspraak met kunstkenner Godelieve van der Heiden uit Eext tot deze conclusie gekomen omdat de weg op het schilderij niet wordt herkend en omdat de daken van dakpannen lijken voorzien. In de tijd dat Liebermann in Zweeloo verbleef waren de huizen rietgedekt.
Simonis en Buunk bieden de ‘Drentse Liebermann’ gesigneerd en gedateerd aan voor €43.500. Het werk is afkomstig uit Duitsland. Heij vermoedt dat de Duitse kunstschilder het in Laren heeft gemaakt, een dorp waar hij ook veel heeft gewerkt.
Maandag presenteerde het Drents Museum een werk van Liebermann dat met steun van de stichting Rembrandt en de Vrienden van het Drents Museum kon worden aangekocht: Studie voor Bleekveld te Zweeloo uit 1882. Liebermann (1847-1935) geldt als een van de belangrijkste impressionisten van Duitsland.
