Over kunst en cultuur (in Drenthe en daarbuiten)

Jaar: 2006 (Pagina 1 van 6)

Ineens werd hij besprongen door een beest

Mysteries

Elke stad en dorp kent mysterieuze en onwaarschijnlijke verhalen die decennia achtereen rondspoken en worden doorverteld. Sommige werden ooit opgeschreven, anderen bestaan in liederen. Martin J. Adelmund uit Utrecht is al vele jaren in de ban van deze vertellingen op het snijvlak van waargebeurd en ooit verzonnen. Nu publiceert hij ze in een laagdrempelige serie boeken waarbij alle provincies aan bod komen.

Nadat eerder al Mysteries in Friesland en Mysteries in Groningen verschenen, ligt nu ook het deel Mysteries in Drenthe in de winkel. De formule is steeds hetzelfde: Adelmund ging in bibliotheken en archieven per provincie op zoek naar mysterieuze verhalen, maakte een persoonlijke selectie en vertaalde ze waar nodig naar hedendaags Nederlands.

Het idee voor de serie ontstond bij uitgeverij A.W. Bruna. “Ze hadden een deel afgemaakt, maar kwamen niet meer verder. Daarop heb ik voorgesteld de reeks af te maken. Ik heb thuis een boekenkast vol met mysterieuze verhalen uit heel Nederland. Ik ben al van kindsaf aan geïnteresseerd dit soort folkloristische vertellingen.”

Met zijn serie treedt Adelmund in een oude traditie van verhalenverzamelaars. Meest bekende zijn de gebroeders Grimm, die zich in Duitsland toelegden op sprookjes. In Nederland kennen we Dam Jaarsma, J.R.W. Sinninghe en Josef Cohen en van recenter datum de onderzoekers van het Meertens Instituut. Adelmund vulde deze oude bronnen aan met actueel werk. Zo treffen we in zijn Drentse boek ook verhalen aan over UFO’s boven Westerbork.

Sommige verhalen kom je, in verschillende varianten, op verschillende plaatsen in het land tegen. “Terneuzen claimt bijvoorbeeld het verhaal over De Vliegende Hollander, maar datzelfde verhaal wordt ook bij het Ijsselmeer verteld. En in het hele land komen verhalen voor van mensen die ’s avonds in het donker ineens van achteren besprongen worden door een dier en thuis komen met een drukkend gevoel. Een paar dagen later zijn ze dan dood.”

Adelmund kon niet voor ieder deel dezelfde bronnen raadplegen. “In de Randstad zijn van oudsher veel meer schrijvers en uitgevers actief. Het is dan ook logisch dat je daar meer en makkelijker verhalen vindt. In een provincie als Drenthe zijn verhalen jarenlang mondeling overgeleverd.” Een mooi voorbeeld van die orale traditie is het Moordlied van Koekange dat vorig jaar nog als basis diende voor de film Het zwijgen.

Bij de selectie was steeds een koppeling naar een herkenbare plaats of voorwerp van belang. “Dat zorgt bij de lezer voor een prikkeling die verhalen extra doet leven. Ik wilde geen verhalen met ‘Lang, lang geleden in een ver, ver land.’ Daarnaast moest het gaan om gebeurtenissen waarvan je kunt verwachten dat ze over honderd jaar nog worden verteld. Het verhaal over het monster van Harkstede is daar een mooi voorbeeld van.”

Adelmund benadrukt dat de door hem geselecteerde verhalen niet allemaal aantoonbaar juist zijn. “Bij lezingen en optredens in het land word ik regelmatig door leden van historische verenigingen aan de mouw getrokken dat bepaalde details toch net even anders zijn. Dat kan heel goed kloppen. Daar kan ik alleen op terugzeggen, dat ik deze verhalen niet als historicus heb geselecteerd, maar als uitgever.”

Mysteries in Drenthe. Waargebeurde misdaden, opmerkelijke gebeurtenissen en onverklaarbare verschijnselen. Verzameld en bewerkt door Martijn J. Adelmund. Uitgeverij A.W. Bruna. Prijs: €12,50.

‘Er gaat geen dag voorbij of ik schrijf’

053263681 Zijn essaybundel Beitelen aan de eeuwigheid ligt nog maar net in de winkel of uitgeverij Querido kondigt alweer een boek aan van Gerrit Krol. Dit voorjaar verschijnt een nieuwe roman van de schrijver uit Oudemolen: Duivelskermis.

Een nieuwe roman. Verrassend.

"Is dat zo? Omdat ik wel eens iets herschrijf? Ik herschrijf alleen wat mij niet bevalt. Nee, dit is een heel nieuw boek."

We dachten dat er niets nieuws meer zou komen.

"Het NRC/Handelsblad schreef over mijn laatste roman, Rondo Veneziano, ook al dat het mijn zwanenzang zou zijn. Niet dus. Je bent schrijver of je bent het niet. Ik ben een paar jaar geleden aan Duivelskermis begonnen. Vanwege mijn ziekte (Krol heeft Parkinson, red.) schrijf ik erg langzaam. Het is dan ook niet zo’n dikke geworden. Iets meer dan honderd bladzijden."

Wat is het voor een roman?

"Het is een boek met een plot, ik wil er dus niet veel over zeggen. Het gaat over een man die een paar dagen op vakantie gaat en verschillende dingen meemaakt met verschillende vrouwen."

Uw uitgever kondigt het boek aan met ‘Gerrit Krol schrijft graag over vrouwen, rondborstige vrouwen liefst, van het type niet-slim-maar-wel-lekker’.

"Kunt u zich daar iets bij voorstellen? Laat ik het zo zeggen: het is heel anders dan Rondo Veneziano. Het lijkt niet op enig ander boek van mijn hand. Al hoor je natuurlijk wel mijn stem erin."

Hoe ging het schrijven u af?

"Ik heb slechte en goeie momenten. En in de goeie momenten probeer ik te schrijven. Er gaat eigenlijk geen dag voorbij of ik schrijf. Alles met de hand. Ik heb iemand gevonden die het voor mij overtypt. Parkinson en de computer, dat wil niet erg. Maar eerder schreef ik ook al niet graag met de computer."

Uw essaybundel ‘Beitelen aan de eeuwigheid’ verscheen in stilte.

"Om een indicatie te geven: als ik een kilometer heb gewandeld, ben ik op. Ik kan de commotie rond de verschijning van een nieuw boek niet meer goed opbrengen. Dat vind ik overigens helemaal niet erg. Mijn werk moet het niet hebben van signeersessies en optredens in boekhandels. Die essaybundel heeft anders goede reacties gekregen. Het is ook een leuke bundel; ik heb de essays verlevendigd met tekeningen en zo, en het is helemaal niet moeilijk."

Kunnen we nog meer verwachten?

"Nou, dat is aan de uitgever. Ik ben nu bezig aan een prozastuk van zo’n twintig bladzijden voor het verslag van het symposium ter gelegenheid van mijn eredoctoraat. Alle teksten van de sprekers komen er in en mijn antwoorden op hun vragen. Erg interessant, vooral voor de liefhebber."

‘We hebben goud in handen’

Van_maarsveen_1 En wederom sluit het Drents Museum het jaar in jubelstemming af. Vanwege
Bořek Šípek en de Neanderthalers, vanwege de bezoekersaantallen en geld voor een depot. Maar vooral vanwege de geplande uitbreiding met een deels ondergrondse vleugel. Directeur Michel van Maarseveen kijkt om en blikt vooruit.

Een jaar geleden vroeg Dagblad van het Noorden u om vooruit te blikken op 2006. Wat is er van uw voorspelling uitgekomen?
“Het is een uitstekend jaar geweest. Vooraf hoopten we op tussen de 80.000 en 90.000 bezoekers. We hebben nog een erg drukke laatste week, met veel activiteiten. Het zal er om spannen of we de 90.000 bezoekers halen. De tentoonstelling rond Bořek Šípek was heel goed, vooral in het begin liep dat hard. Het was ook bijzonder om Šípek zelf die tentoonstelling te laten vormgeven. Met de Neanderthalers hebben we 30.000 bezoekers getrokken, dat was een nog groter succes.”

En nu willen jullie uitbreiden.
“We denken dat het mogelijk is om het bezoek uit te bouwen naar gemiddeld 120.000 per jaar. Nu hebben we te maken met te kleine ruimten voor grote exposities, een te kleine winkel en te krappe entree. Met een nieuwe vleugel, die deels onder de grond wordt gebouwd, kunnen we dat oplossen.”

De provincie Drenthe stemde opvallend snel in.
“Dat heeft ook mij verrast, het gaat om enorme bedragen: 18 miljoen euro in totaal. Maar we hebben er ook veel tijd in gestoken. De situatie in Assen zelf hebben we misschien wat onderschat. De gemeenteraad kwam met alternatieven die bij ons al waren afgevallen; misschien hadden we de raad iets anders, iets eerder moeten informeren. Ik ben inmiddels persoonlijk bij de omwonenden langs geweest. De een reageert fel en vreest aantasting van het uitzicht, een ander is laconiek. We hoeven het niet allemaal met elkaar eens te zijn, als we maar kunnen blijven praten.”

Waar moeten de nieuwe bezoekers vandaan komen?
“De helft van onze bezoekers komt uit de Randstad, de andere helft uit Noorden, en daarvan weer de helft uit Drenthe. Die laatste groep halen we vooral binnen met activiteiten, met een archeologieweek, de Kunst & Cultuurweek, activiteiten tussen Kerst en Oud en Nieuw. Om verder te groeien willen we meer activiteiten organiseren en meer exposities houden met internationale potentie. Het gaat dan om tentoonstellingen die we met andere musea maken en in het buitenland kunnen verkopen, zoals ‘The Mysterious Bog People’ en ‘100.000 jaar Sex’.”

Het Drents Museum is vooral bekend van figuratieve kunst, archeologie en kunst rond 1900. Wordt het geen tijd voor een afdeling hedendaagse abstracte kunst?
“Ik geloof niet dat wij dat erbij moeten gaan doen. Het is maar de vraag of mensen daarvoor naar Assen komen. Je bouwt als museum een publiek op, wij hebben dat bijvoorbeeld gedaan met de Noordelijke realisten. De belangstelling voor die figuratieve kunst is inmiddels landelijk. Wat de archeologie betreft: dat loopt heel goed, vooral bij gezinnen. Je kunt daar veel meer mee doen. Veel musea hebben de archeologie de deur uitgedaan. Wij niet. We hebben nu goud in handen.”

Elders in het land maken ze zich druk over de bezoekers van de toekomst: jongeren, allochtonen.

“Als je naar de bevolkingsontwikkeling kijkt, zitten we dankzij de vergrijzing de komende twintig jaar nog goed. Maar wat gebeurt er daarna? De belangstelling voor de klassieke cultuur lijkt te verdwijnen, dat zie je al in het theater en bij de klassieke muziek. Er komt een generatie die niet
met de christelijke cultuur vertrouwd is, die niks heeft met Vermeer, die de schilderijen van Rembrandt niet meer begrijpt. Daar moet je als museum rekening mee houden.”

En niks heeft met kunst rond 1900.

“Ik heb ook niet alle antwoorden. Musea zullen veel aandacht moeten besteden aan het onderwijs. Ik ben blij met de canon van de Nederlandse geschiedenis, en niet alleen omdat die met de hunebedden begint. Ik geloof erg in het organiseren van activiteiten. Het museum moet het culturele brandpunt van de samenleving worden, een plek waar van alles kan en gebeurt: van uitstapjes voor het gezin tot en met excursies voor bedrijven.”

Ging u als kind met uw ouders naar het museum?

”Ik ben geboren in De Haag, vlakbij het Gemeentemuseum en het Museon. Als kind ging ik daar vaak heen met mijn ouders. In de vakanties logeerden mijn broer en ik geregeld bij mijn grootouders in Utrecht. Het Spoorwegmuseum en Catharijneconvent waren dan vaste uitstapjes voor ons. Al vroeg had ik belangstelling voor kunst en literatuur. Mijn vader was directeur van een grote boekhandel en boeken waren altijd binnen handbereik.”

Volgend jaar bent u vijf jaar directeur. Er wordt opvallend vaak gezegd ‘die blijft niet lang in Assen’.

“Ik wil anders nog een groot aantal jaar blijven. Ik wil de verbouwing meemaken. Het is leuk om directeur van dit museum te zijn, ik heb er nog geen seconde spijt van. Het is een ongelofelijk inspirerende omgeving. Je mag met interessante mensen werken, met museummensen en kunstenaars. Je reist veel – dat vind ik ook erg leuk.”

Is er ook een leven naast het Drents Museum?

“Het museum en het privé-leven lopen in elkaar over. Ik probeer natuurlijk wel afstand te nemen, door te wandelen bijvoorbeeld, vakanties met het gezin of door te lezen. Ik heb net De schaduw van de wind van Carlos Ruiz Zafon uit. Prachtig boek. Het kwam zelfs ’s nachts in mijn dromen terug. Voor ik naar Assen kwam, ging ik veel naar het theater. Dat komt er niet meer van.”

En museumbezoek?

“Mijn interesse gaat uit naar de oudere kunst: middeleeuwen en zeventiende eeuw, maar vooral de negentiende eeuw. Dat is zo’n interessante periode, toen is de basis voor de moderne samenleving gelegd. Onze expositie over het symbolisme liet dat vorig jaar mooi zien. Buiten Assen lukt het nauwelijks nog om van tentoonstellingen te genieten. Ik heb er de rust niet voor. Ik loop altijd als museumdirecteur te kijken hoe iets gemaakt is. En meestal ben ik er dan al na vijftien minuten achter of het iets is.”


Tussen klassiek en geheimtip

Leopold De canon voor de vaderlandse geschiedenis mag dan zijn vastgesteld, het opstellen van een lijst met literaire werken die iedereen moet kennen blijft lastig. Want welk boek is ‘klassiek’ en wanneer spreken we van ‘klassiekers’?

Ooit wist iedereen wat er werd bedoeld met ‘de klassieken’: de taal, literatuur, geschiedenis en kunstvormen van de oude Grieken en Romeinen. Maar dat statige begrip heeft de afgelopen decennia gezelschap gekregen van ‘klassiek’, ‘klassieker’ en zelfs het modieuze ‘essential’. Het zijn allemaal omschrijvingen die duidelijk moeten maken dat we met ‘iets van waarde’ van doen hebben.

In de boekhandel worden de termen te pas en oppas gebruikt, alles in dienst van de marketing. Als Kluun met zijn Er komt een vrouw bij de dokter een verkoophit blijkt, wordt die roman al snel omschreven als een klassieker: een veel gelezen boek. En als de elfde druk verschijnt van de poëziebloemlezing Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is wordt gesproken van een klassieke bundel: een verzameling die nog steeds zeer de moeite waard is.

Een interessant geval is De geschiedenis van Woutertje Pieterse die Multatuli (1820 – 1887) tussen 1862 en 1877 verspreid over zijn bundels Ideeën publiceerde. Pas na zijn dood werd deze nooit voltooide zedenschets uitgegeven als een bijna zeshonderd bladzijden tellend boek. Onlangs verscheen het opnieuw, hertaald door Ivo de Wijs, die er meer dan de helft uitscheurde en ook nog een slot aan schreef.

Mag je zo omgaan met – in de woorden van de verantwoordelijke uitgeverij Hoogland en Van Klaveren – ‘een van de belangrijkste Nederlandse klassiekers’?  Voor wie Woutertje vanwege Multatuli’s afleidende ideeën nooit als geheel heeft gelezen, is de compacte en leesbare versie van De Wijs zeer de moeite waard; een opstapje naar het echte werk. Maar puriteinen gruwen er van: alsof De Nachtwacht in stukken is gesneden en bijgeschilderd in de etalage is gezet.

Voor die laatste groep is er sinds 1998 de Deltareeks, een initiatief van de overheid en verschillende uitgevers om ‘de belangrijkste werken uit de oudere Nederlandse letterkunde’ beschikbaar te maken. De Deltareeks telt inmiddels zeventien kloeke boeken met werk van onder anderen P.C. Hooft, Vondel, Gorter, Guido Gezelle, compleet met wetenschappelijk verantwoording; alleen al Van den Vos Reynaerde beslaat twee delen.

De nieuwste Delta-uitgave is Verzamelde verzen van J.H. Leopold (1865 – 1925). Dichter J.C. Bloem noemde hem ooit ‘buiten kijf de allergrootste figuur sinds eeuwen in de Nederlandse letterkunde’, iets dat hij overigens ook van Hendrik de Vries beweerde. Leopold is nooit echt veel gelezen, zijn meest bekende gedicht begint met Om mijn oud woonhuis peppels staan. Maar zijn invloed is zeer groot: Gerrit Achterberg, Martinus Nijhoff en Ida Gerhardt zijn z’n meest bekende leerlingen.

Verzamelde verzen is een ronduit imposant boek, met veel ongepubliceerde gedichten in een chronologische volgorde. Of deze definitieve Leopold-uitgave de weg naar ‘het algemene publiek met literaire belangstelling’ weet te vinden is echter de vraag. De uitgave kampt met hetzelfde euvel als andere Delta-uitgaven: het is gemaakt voor bibliotheek en studeerkamer en dus niet om op een bankje in het winkelcentrum gelezen te worden.

De Deltareeks komt van Athenaeum – Polak & Van Gennep. Die deftige uitgever heeft ook een Gouden Reeks, met inmiddels twaalf klassiekers waaronder De Bijbel, De Goddelijke Komedie van Dante en Faust van Goethe. Als filiaal van uitgeverij Querido is Athenaeum – Polak & Van Gennep daarnaast verantwoordelijk voor de serie Salamander Klassiek. Deze reeks gebonden uitgaven voor een ‘kleine prijs’ varieert van Sokrates leven en dood van Plato tot Kees de Jongen van Theo Thijssen.

Sinds kort ondervinden de handzame Salamanders concurrentie van de serie Rainbow Klassiek van uitgeverij Muntinga. Nadat dit bedrijf eerder Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan en Nagelaten bekentenis van Marcellus Emants bracht, komt het nu met Tobias en de dood (1925) van J. van Oudshoorn (1876 – 1951) en Goena-Goena (1889) van P.A. Daum (1850 – 1898). Hoewel niet duidelijk is met welke (herziene) druk we te maken hebben, gaat het om liefdevol uitgegeven boeken.

Daum lijkt met zijn beschrijving van de stille kracht in Goena-Goena een brug te slaan tussen Multatuli en Couperus, terwijl Van Oudshoorn met zijn boemelaar Tobias ergens naar Bordewijk neigt. Wat beide titels gemeen hebben is dat het om originele boeken gaat die bij het grote publiek in de vergetelheid zijn geraakt. Misschien is het begrip ‘klassiek’ wat veel van het goede, maar ‘geheimtip’ komt aardig in de buurt.

Vier jaar geleden werd onder leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een enquête gehouden naar de canon van de Nederlandse literatuur. In dat onderzoek kwamen de namen van Multatuli, Leopold, Daum en van Van Oudshoorn bovendrijven in een lijst met de honderd belangrijkste auteurs. Multatuli stond bovenaan, Daum van Van Oudshoorn onderaan. Leopold stond in het midden, net onder zijn bewonderaar J.C. Bloem.

Een lijst met belangrijkste Nederlandse klassieke literaire werken liet een gewijzigd beeld zien: Max Havelaar van Multatuli bovenaan, Gedichten van Leopold in het midden – onder Ida Gerhardt, maar boven J.C. Bloem. En nergens een spoor van Daums Goena-Goena en Tobias van Van Oudshoorn. Woutertje Pieterse eindigde in de middenmoot van klassieke werken. Voorwaar niet gek voor een roman zonder einde die de berooide auteur zelf nooit heeft willen uitgeven.

Waarmee maar gezegd is, dat het laatste woord over klassiek, klassieken en klassiekers nog niet is gesproken. In de tussentijd lezen we onverdroten voort.

De geschiedenis van Woutertje Pieterse’ in de bewerking van Ivo de Wijs is verschenen bij uitgeverij Hoogland en Van Klaveren (€17,50, 224 blz.). ‘Verzamelde Verzen’ van J.H. Leopold is verschenen in bij Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep (€38,50, 614 blz) . ‘Goena-Goena’ van J.A. Daum (€14,50 271 blz.) en ‘Tobias en de dood’ van J. van Oudshoorn (€16,50, 288 blz) zijn verschenen bij uitgeverij Muntinga. Voor de canon van de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde zie www.dbnl.org

‘De Graanrepubliek’ leidt tot muziektheaterstuk

Het Oldambt wordt het decor van een ambitieus meerdaags muziektheaterproject over de geschiedenis van Oost-Groningen. Inspiratiebron voor Als God in Oldambt is het boek De Graanrepubliek van Frank Westerman. Het stuk wordt in mei 2008 op verschillende plekken opgevoerd. Belangrijkste locatie wordt het Oldambtmeer bij woongebied Blauwestad bij Winschoten. Bedoeling is de voorstellingen zoveel mogelijk met professionals, amateurs en verenigingen uit de regio op te voeren.

Een magnum opus bij u thuis

Djt_de_reus

Ruim een half jaar geleden nam Drents Jeugdtheater De Reus als huisgezelschap zijn intrek in De Tamboer. Zaterdag presenteert de groep van regisseur Henk de Reus het eerste stuk dat binnen de muren van het Hoogeveense theater is gemaakt: Richards Ring.

In 1848 begon de Duitse componist Richard Wagner (1813 – 1883) aan zijn magnum opus Der Ring des Nibelungen. Een allesomvattende compositie moest het worden op basis van een Germaans epos, een muziekstuk dat drie dagen in beslag zou nemen, plus een vooravond. Wagner dacht drie jaar werk aan zijn Ring te hebben, het werden er uiteindelijk 21.

Ruim honderdvijftig jaar later wordt dit megalomane muziekstuk opnieuw uitgevoerd, als multimediale theatervoorstelling voor kinderen van zeven jaar en ouder. DJT De Reus heeft er naar schatting een uur voor nodig. In dat korte tijdsbestek komt alles aan de orde wat Wagner aan de orde wilde stellen: hoe de wereld ’in den beginne’ fraai, schoon en vol liefde was en hoe macht en hebzucht de boel kwamen verpesten.

”We willen het zo spelen, dat kinderen na afloop bij zichzelf zeggen: Dat ga ik thuis ook doen”, verklaart regisseur Henk de Reus een paar dagen voor aanvang van de première. De afgelopen weken is hij druk bezig geweest om zijn versie van De Ring van de grond tillen. Geen middel bleef daarbij ongebruikt: speelgoedpoppetjes, beeldjes van keramiek, klassieke muziek, een videocamera, een lichtinstallatie, een projectiescherm.

Nog zoiets: De Ring wordt gespeeld door slechts één acteur, Christiaan Bloem, bijgestaan door celliste Rata Kloppenburg. Het tweetal krijgt een paar vierkante meter tot de beschikking om de componist Richard Wagner en zijn buurmeisje Cosima te spelen en een wereld op te roepen met reuzen, dwergen en goden. “We houden het zo klein mogelijk”, voegt De Reus er doodleuk aan toe.

Richards Ring is een kleine voorstelling over grote zaken. “Der Ring des Nibelungen gaat over macht”, zegt Henk de Reus. “Maar dat is niet wat wij willen vertellen. Wij willen met dit stuk het plezier van het creëren duidelijk maken. Wij willen kinderen iets laten zien dat ze zelf ook kunnen – al kunnen ze dat natuurlijk niet. Dat mensen ook blijven spelen als ze groot zijn. En dat het leuk is om iets te maken.”

Na twee opvoeringen in De Tamboer, dit weekeinde, gaat Richards Ring het Drents scholencircuit in. “In een provincie met vier theaters ben je snel uitgespeeld”, vertelt De Reus. “Op scholen is er nauwelijks afstand tussen spelers en toeschouwers. Er wordt niet vanuit het donker gekeken terwijl jij je ding staat te doen. Het is veel directer, de kijker leeft daardoor veel meer met de speler mee. Het werkt heel plezierig.”

Angst dat Richards Ring te gecompliceerd is voor een jong publiek, heeft De Reus niet. “Bij theater voor volwassenen hoeven toeschouwers niet altijd alles te begrijpen wat ze te zien krijgen. Dat is een manier van kijken die mij niet aanspreekt. Ik hou niet van losse eindjes. Bij theater voor kinderen moet je er voor zorgen dat ze meegaan in het verhaal, dat ze meegaan in de moeilijkheden die de hoofdpersoon moet overwinnen. Dat is eigenlijk alles.”

’Richards Ring’ wordt 16/12 (19.00 uur, première) en 17/12 (15.00 uur) door DJT De Reus in theater De Tamboer in Hoogeveen opgevoerd. Daarna gaat de voorstelling op tournee langs verschillende scholen. Zie ook www.djtdereus.nl.

Henk de Reus

Henk de Reus groeide op in Zeeland op een boerderij, verstoken van vrijwel alle kunstvormen. “Wij gingen thuis nooit naar het theater, ik had daar helemaal geen behoefte aan. Het eerste theaterstuk wat ik ooit zag, was op de middelbare school: Entertaining Mr. Sloan. Vreselijk vond ik het. Theater werd pas interessant toen het mooiste meisje van de klas iedere vrijdag naar een toneelles bleek te gaan.”

Na een periode bij theatergroep Maccus in Delft verhuisde De Reus vijftien jaar geleden naar Drenthe waar hij aansluiting vond bij theatergezelschap Tryater. Onder die vlag speelde hij onder meer de voorstellingen Het experiment van de heer Borgers en Van den Vos Reynaerde. Met dat laatste stuk, en de hulp van schrijver Jan Veldman en beeldend kunstenaar Peter Hiemstra, begon De Reus twee jaar geleden voor zichzelf.

Spaanse brieven van Hendrik de Vries

Uitgeverij Meulenhoff komt in maart 2007 met een bundeling van de brieven die Hendrik de Vries vanuit Spanje naar zijn familie in Groningen stuurde. De Vries, dichter en beeldend kunstenaar, maakte tussen 1924 en 1936 twaalf reizen naar Spanje. Veel indrukken die hij daarbij opdeed zijn terug te vinden in zijn tekeningen en poëzie. De redactie van het brievenboek is in handen van Jan van der Vegt, biograaf van De Vries.

Met winterboeken de donkere dagen door

Winterboek_1970 Ineens waren ze er, eind jaren dertig: de Winterboeken van het damesblad Margriet. Tienduizenden kinderen kwamen er decennia achtereen de donkere dagen mee door. Talloze schrijvers en illustratoren van naam werkten er aan mee.

Vijf jaar geleden ging Anneke Gankema uit Winsum op de zolder in haar ouderlijk huis op zoek naar het mooie rode sprookjesboek uit haar jeugd. "Maar ik kon het nergens meer vinden. Wat ik wel tegenkwam, waren twee oude Winterboeken van Margriet, die had ik gekregen toen ik een jaar of tien was."

In het Drukkerijmuseum in Meppel is deze winter een tentoonstelling te zien met alle Winterboeken die tussen 1939 en 1988 onder de vlag van het damesblad Margriet zijn verschenen. Niet eerder werd in Nederland op deze schaal aandacht besteed aan een fenomeen dat halverwege de vorige eeuw uit Engeland kwam overwaaien en nog steeds, zij het in een verwaterde vorm, voortleeft.

"Mijn exemplaren dateren uit het begin van de jaren zestig", vertelt samensteller Gankema. "Mijn moeder was abonnee van Margriet en in de herfst kwam er dan bij ons een man aan de deur met de vraag of wij het nieuwe Winterboek wilden kopen. Er stonden verhalen in, puzzels, kleurplaten en zelfs strips. Ik kreeg ze met Sinterklaas cadeau en was er dan de hele winter zoet mee."

Na de herontdekking op zolder kocht Gankema via internet oude exemplaren op. Ze legde een unieke verzameling aan, verdiepte zich in de inhoud en ging op zoek naar de makers. "Bij de Margriet konden ze mij niet helpen. Ze toonden totaal geen belangstelling in hun geschiedenis, dat heeft mij echt verbaasd."

Gankema ontdekte dat het merendeel van de boeken is samengesteld door Ton Hulsebosch (1909 – 1986), de latere hoofdredacteur van de Meppeler Courant. Ook achterhaalde ze namen van schrijvers en tekenaars. "Wim Meuldijk, Thé Tjong-Khing, Annie M.G. Schmidt, Marten Toonder, Paul Biegel, Han G. Hoekstra, Rien Poortvliet. Meestal werden hun namen niet vermeld, maar er hebben veel bekende mensen aan meegewerkt."

Opvallend aan de Winterboeken zijn de omslagen. "De voor- en de achterplaten liepen vaak naadloos in elkaar over, het kleurgebruik was erg fraai. Er werden toentertijd bekende illustratoren voor gevraagd: Peter Lutz, Eppo Doeve, Piet Maree, Fiep Westendorp. De eerste twee nummers, van 1939 en 1940, zijn nog geïnspireerd op voorbeelden uit Engeland, waar de Winterboeken al veel langer bestonden. Daarna zie je de tijdgeest langzaam veranderen."

Tot halverwege de jaren zeventig waren de Winterboeken geliefd bij met name kinderen rond een jaar of tien. "In 1976 is Margriet gestopt met de boeken, waarschijnlijk omdat kinderen hun vrije tijd aan televisie, sport en tijdschriften gingen besteden. In 1988 keerde het Winterboek nog één keer terug, ter gelegenheid van het vijftigja rig bestaan van Margriet. Vergeleken met de boeken uit de jaren vijftig en zestig ziet dat allerlaatste nummer er absoluut niet uit."

Zomerse tegenhanger

Gestimuleerd door het succes van de Winterboeken lanceerde de uitgever van damesblad Margriet in de jaren vijftig een zomerse tegenhanger: Het Groot Vakantieboek. Deze reeks heeft tot en met 1962 gelopen. Nadat de grote man achter de Winterboeken, Ton Hulsebosch, hoofdredacteur werd van de Meppeler Courant gaf deze in de jaren zeventig de aanzet tot een derde reeks: Ons Jeugdboek. Deze serie liep met een korte onderbreking tot en met 1988 en werd voornamelijk geïllustreerd door de Meppeler tekenaar Arnold Berbers (1935 – 2005).

De tentoonstelling ‘Het Margriet Winterboek’ is nog tot en met 8/3 te zien in het Drukkerijmuseum Meppel. Open: Dinsdag tot en met zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur. De tentoonstelling wordt vervolgd in het Scryption in Tilburg van 20/5 t/m 17/11 en in het Museum van de Twintigste Eeuw in Hoorn van 1/12 17/2/2008. Zie ook www.winterboeken.nl

De gekke molenaar zwaait met zijn bijl

Paasilinna_molenaarArto Paasilinna had dit jaar een van de meest gelezen schrijvers in onze contreien kunnen zijn. Maar de literatuurclubs in Drenthe, Groningen en Overijssel vonden naar verluidt zijn hilarische roman De zelfmoordclub te confronterend en zetten voor dit seizoen liever Het bevel van Leena Lander op hun leeslijst. En zo werd de ene Finse topauteur gepasseerd door een ander.

Maar uitgeverij Wereldbibliotheek heeft het nog niet opgegeven met Paasilinna. Vijf jaar nadat diens roman De huilende molenaar in een Nederlandse vertaling verscheen, ligt dat boek nu opnieuw in de winkels, ditmaal voor 5 euro. Zoiets kan een buitenkansje worden genoemd – zo’n goed en lichtvoetig geschreven boek, voor zo weinig geld, dat komt niet vaak voor.

Hoofdpersoon is Gunnar Huttunen, een boom van een kerel die een verwaarloosde molen koopt in een dorpje in het noorden van Finland. Huttunen blijkt een harde werker, een vakman. De dorpelingen mogen hem graag, tot ze zijn afwijking ontdekken: de neiging af en toe te huilen als een wolf. Vanaf dat moment wordt de molenaar door de dorpelingen met andere ogen bekeken.

Door een dom ongelukje bij een invloedrijke boer raakt Huttunen uit de gratie. Hij wordt de bossen ingejaagd, opgepakt en opgesloten in een inrichting. Hij weet te ontsnappen, keert terug in de molen, maar moet opnieuw vluchten, ditmaal de moerassen in. Slechts drie dorpelingen blijven hem trouw: een verliefde landbouwconsulente, een drankzuchtige postbode en een lankmoedige agent.

Net als De zelfmoordclub is De huilende molenaar eenvoudig van opzet. Paasilinna vertelt zijn verhaal rechttoe, rechtaan. Hij speelt slim met schijnbare futiliteiten en wekt voortdurend verwachtingen die niet worden ingelost. De bedoelingen zijn duidelijk: Paasilinna wil zijn lezers vermaken én op de kast jagen, zodat na afloop van zijn moralistische vertelling het gevoel blijft hangen dat alle leestijd welbesteed is geweest.

Bijzonder is de subtiele slapstickhumor. Huttunen is een onmiskenbaar vreemde vogel, maar zijn afwijkingen worden zo aandoenlijk beschreven dat je er niet zwaar aan kunt en wilt tillen. Laat die goedmoedige sukkel met rust, is de gedachte als de dorpelingen zijn onderkomen in het bos verwoesten en hem als een dier blijven opjagen. En als de molenaar met een bijl moet zwaaien om zijn spaargeld te mogen opnemen, geef je hem groot gelijk.

De huilende molenaar is een roman over onze weerzin tegen alles wat anders is, over onze ongefundeerde hekel aan iedereen die afwijkt van onze waarden en normen. Verrassend is dat gegeven allerminst. Maar door de frisse manier waarop deze Finse vakman over die neiging vertelt, wordt de lezer opnieuw gedwongen in de spiegel te kijken. Arto Paasilinna mag blijven.

Boek: De huilende molenaar. Auteur. Arto Paasilinna. Uit het Fins vertaald door Annemarie Raas. Uitgeverij: Wereldbibliotheek. Prijs: 5 euro (223 blz.)

‘Natuurkunst tot 2010 in Schoonoord’

Merijn_vrij_1

De manifestatie ‘Natuurkunst Drenthe kan nog tot ebn met 2009 in de bossen bij Schoonoord worden gehouden. Dat concludeert organisator Adri de fluiter op basis van gesprekken met de gemeente Coevorden, Staatsbosbeheer en het nabijgelegen recreatiepark ’t Kuierpadtien.

‘Natuurkunst Drenthe’ is een inmiddels jaarlijks terugkerend evenement waarbij kunstenaars uit binnen‑ en buitenland ter plekke beelden maken rondom een bepaald thema. De huidige manifestatie – ‘Verstild Water’ – heeft het afgelopen jaar zo’n tienduizend bezoekers getrokken. Na 1 januari wordt bekend welke van de beelden kunnen blijven staan, en welke worden opgeruimd.

Initiatiefnemer Adri de Fluiter heeft inmiddels de inschrijving geopend voor 2007. Thema is dit keer ‘Groene revolutie’. Daarmee  wordt verwezen naar de grootschalige bosbouwprojecten waarbij langdurig werklozen soms gedwongen te werk werden gesteld in het kader van de Diens Uitvoering Werken (DUW) en de Werkverschaffing.

« Oudere berichten

© 2026 Woest & Ledig

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑