Woest & Ledig

Over kunst en cultuur (in Drenthe en daarbuiten)

Over de dozige winkelhaakarchitectuur van de ‘open groene stad’ Emmen

Dagblad van het Noorden komt deze zomer door met onder meer paginavullende luchtfoto’s die zijn gemaakt in Drenthe en Groningen. ‘Zomervlucht’ heet de rubriek. Vorige week woensdag stond bovenstaande foto in de krant. Het begeleidende tekstje gaat als volgt:

‘Met circa 60.000 inwoners is Emmen het stedelijke hart van Zuidoost‑Drenthe. De stad geniet internationaal bekendheid vanwege haar bijzondere stedenbouwkundige opzet. Onder leiding van stedenbouwkundige Niek de Boer werd gekozen voor het concept van de ‘Open Groene Stad’. Nieuwe woonwijken verrezen op afstand van de bestaande kern, waardoor waardevolle landschappen behouden bleven. De Boer hield daarbij rekening met de achtergrond van veel inwoners, die afkomstig waren uit de omliggende veengebieden. Zijn visie: een stad met stedelijke voorzieningen, maar met het gevoel van wonen in een dorp. Dat idee bepaalt nog altijd het karakter van Emmen.’

Een open groene stad? Is dat zo? Waarom zie ik dan op de foto niets van de zogenaamd nieuwe wijken, die ook alweer een halve eeuw oud zijn? Waarom een foto van de veelbeproefde dozige winkelhaakarchitectuur die het centrum van Emmen in toenemende mate domineert?

En niet alleen in het centrum. Enige tijd geleden werden drie woonblokken opgeleverd aan de Weerdingerstraat, niet ver van waar over een aantal jaren de Nedersaksenlijn zal gaan rijden. De blokken zijn in opdracht van BT Beheer, naar ontwerp van LYVR Architecten, gebouwd door Avitec Bouw en omvatten 54 huurappartementen, verdeeld over drie gebouwen: De Eik, De Berk en De Den – namen die verwijzen naar bomen, naar groen.

Overigens: omdat toeval bestaat, stuitte ik bij RTV Drenthe op nog een foto die vanuit de lucht boven Emmen is gemaakt. Wat we zien is bedrijventerrein Bargermeer, niet ver van het centrum van Emmen. Ook hier weinig groen. Het ooit internationaal bewonderde Emmen telt vanuit architectonisch oogpunt steeds minder stokpaardjes.

Bezocht Into Nature 2026 ‘Haunted by Waters’ (2)

In mijn vorige bijdrage trok ik een parallel tussen Into Nature ‘Haunted by Waters’ en Sonsbeek 2026 ‘Ik hoef geen tuin, ik deel een park’. Beide kunstroutes opereren in een vergelijkbaar segment, schreef ik met het vocabulair van een autoverkoper die indruk wil maken op een publiek dat niet snel onder de indruk is.

(Beide kunstroutes zitten overigens in heel verschillende prijsklassen. Voor Into Nature betaal je als bezoeker 17,50 euro. Bij Sonsbeek krijg je de catalogus voor 3 euro mee, maar meer betalen mag ook.)

Een van de aandachttrekkers van Sonsbeek 2016 is een sculptuur van een transpersoon, gemaakt door Jade Guanaro Kuriki‑Olive, alias Puppies Puppies. Into Nature heeft een vergelijkbaar verwarrend beeld: The shepherd of the butterflies of the Eelderdiep van Nils Alix‑Tabeling.

Waar Puppies Puppies heeft gekozen voor klassieke beeldhouwtechnieken, is Alix‑Tabeling voor assemblage gegaan. Zijn sculptuur – half mens, half insect – is opgebouwd uit verschillende materialen die een hybride karakter verbeelden. De kunstenaar spreekt van een rebels lichaam.

Volgens de samenstellers van Into Nature: Haunted by Waters past een dergelijk figuur heel goed bij het natuur‑ en waterbergingsgebied De Onlanden. Ik citeer:

‘Moerasgebieden worden van oudsher immers geassocieerd met moeilijk definieerbare, raadselachtige en onverklaarbare fenomenen, die vroeger al snel aan het bovennatuurlijke of het duistere werden toegeschreven. Door de tijden heen werden ‘ongewenste elementen’ vaak naar moerasgebieden verbannen door de heersende macht, of werd het moeras door onderdrukte groepen juist gebruikt als toevluchtsoord. In recente literatuur wordt het moeras daarom – en vanwege het feit dat hier de scheidslijn tussen het ene en het andere vaak niet zo duidelijk is – regelmatig queer eigenschappen toegedicht.’

Het moeras als dumplek voor queer-personen. Wat moeten we daar van denken? Als queer zou ik zeggen, dan toch liever een tuin of park. Ik wil die ‘recente literatuur’ wel eens inzien.

Blijkbaar vrezen de samenstellers van Into Nature zelf ook nattigheid, want ze sluiten de tekst over The shepherd of the butterflies af met een disclaimer: ‘Het woord ‘queer’ heeft vele – soms tegenstrijdige – betekenissen. Hier gebruiken we het om te verwijzen naar alles en iedereen die wordt buitengesloten door achterhaalde sociale normen, gebruiken en opvattingen over gender.’

Bezocht Into Nature 2026 ‘Haunted by Waters’ (1)

In De Onlanden, een natuur- en waterbergingsgebied in Noord‑Drenthe, voor de stoep van de stad Groningen, is de kunstmanifestatie Into Nature. Haunted by Waters van start gegaan, met een fiets- en wandelroute van zo’n twintig kilometer. Als vertegenwoordiger van de media kreeg ik vorige week een rondleiding van artistiek directeur Hilde de Bruijn langs de kunstwerken.

Het is de vijfde keer dat Into Nature plaatsgrijpt. Eerdere edities waren in het gebied van de Drentse Aa tussen Eelde en Assen (2016), het Holtingerveld bij Frederiksoord (2018), het Bargerveen tussen Zwartemeer en Weiteveen (2021) en de Hondsrug tussen Drouwen en Buinen (2023). Inderdaad, het woord biënnale is niet langer van toepassing.

De rondleiding resulteerde in een artikel dat ik geen recensie of reportage durf te noemen. Voor het genre van de reportage viel er donderdag domweg te weinig te noteren; het journalistieke werk kwam neer op aandachtig luisteren en kijken. Aan een recensie waagde ik mij (nog) niet, omdat ik niet te snel wil oordelen – mijn deadline lag weer eens veel te vroeg.

Onlangs bezocht ik de tentoonstelling Sonsbeek 2026 in Arnhem. Daarover schrijf ik onder meer dat de organisatoren duidelijk willen maken dat ‘het streven naar schoonheid in de kunsten plaats heeft gemaakt voor het etaleren van persoonlijke processen en onderzoek naar onnavolgbare mechanismen, die stellen dat de werkelijkheid niet na te vertellen complex is geworden en zich vanuit alle werelddelen en culturen aan ons opdringt’.

Fraai geformuleerd, al zeg ik het zelf. Als ik het mis heb, laat het weten.

Into Nature. Haunted by Waters opereert in hetzelfde segment als Sonsbeek. Ook in De Onlanden is werk te zien van kunstenaars die nogal wat vragen van de kijker: een bereidheid om de catalogus aan te schaffen bijvoorbeeld, en daarin te lezen wat de achtergronden zijn, wat bedoeld wordt, zodat vervolgens duidelijker wordt wat er in het gras, tussen de struiken, bij de bomen en in het wooncomplex wordt getoond.

Geen hapklare kunst dus. Het gevaar bestaat daardoor dat straks (opnieuw) door Provinciale Staten van Drenthe geklaagd wordt over ‘elitaire kunst’ en een (te) kleine doelgroep. De bezwaren en beledigingen kunnen nu al worden opgeschreven, wat veel zegt over de voorspelbaarheid en vooringenomenheid. Nu ik toch aan het woord ben: het zegt vooral veel over een gebrek aan inlevingsvermogen in gepolariseerde tijden.

Into Nature. Haunted by Waters vertelt ondertussen over klimaatverandering en ecologie, niet bepaald onbelangrijke thema’s. Alsof dat niet genoeg is, gaat de kunstmanifestatie ook nog eens over wederkerigheid, vertelde Hilde de Bruijn tijdens de preview. Als er al een boodschap is, dan is het dat mensen niet alleen moeten nemen, maar dat ze ook iets dienen terug te geven. Vergeleken met Sonsbeek 2026 is Into Nature 2026 constructiever.

Dat bleek bijvoorbeeld op de ijsbaan van Roderwolde, waar werk is te zien van de in India geboren kunstenaar Manjot Kaur. Ter plekke vroeg ik artistiek directeur De Bruijn in hoeverre kunst ertoe kan of moet bijdragen dat die wederkerigheid op gang komt.

„We kunnen moeilijk ontkennen dat de wereld om ons heen in de fik staat. De enige weg eruit is zoeken naar verbondenheid en ons realiseren dat mensen wezens zijn die elkaar graag willen helpen”, reageerde ze. „Kunst is een zachte manier om draagvlak voor grotere omwentelingen te creëren. Wat wij doen met Into Nature kan een verschil maken. Eerst individueel, daarna collectief.”

Later, ter hoogte van een beeld van de in Frankrijk geboren kunstenaar Nils Alix‑Tabeling in het water van het Eelderdiep, overwon ik een restje schroom en wilde ik namens het patriottisch ingestelde volksdeel van De Bruijn weten waarom ze voor dat doel vooral kunstenaars heeft gekozen met wortels tot diep in het buitenland, zoals Korea, Portugal, Guatemala, Argentinië, Ierland, Finland, Moldavië, Frankrijk en India.

De Bruijn zei daar het volgende over: „Ik ben vijfenvijftig jaar en ik kom uit een tijd waarin de hedendaagse kunst, de global art scene, werd gezien als iets heel moois. Het kon niet op, iedereen reisde de hele wereld af. We leerden elkaar via kunst kennen, we lieten iedereen kennismaken met elkaar.

Ik vind het nog steeds heel waardevol dat je bewust blijft van hoe andere mensen naar dingen kijken. Daar kun je je eigen blik mee verrijken. Er zitten duidelijke nadelen aan de globalisering, zeker omdat die samenhangt met excessieve vormen van kapitalisme en daardoor problemen ontstaan voor natuur en aarde.

Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om in cultureel opzicht te blijven leren. Je kunt op je eigen omgeving reflecteren dankzij mensen die daar misschien heel anders naar kijken. Dat is iets waardevols, dat is iets wat we moeten blijven koesteren. Anders verzanden we in een provinciale, naar binnen gekeerde blik. Dat is een verarming.”

Into Nature. Haunted by waters is nog tot en met 25 oktober te bezoeken. Startpunten zijn Drents Museum De Buitenplaats, Hoofdweg 76 in Eelde, of het Wall House, Lutulistraat 17 in Groningen. Zie www.intonature.net.

Morgen meer.

Constateerde de piskijker van Jan Steen blaasontsteking of een zwangerschap?

In De Lakenhal in Leiden is nog tot eind augustus de tentoonstelling Thuis bij Jan Steen – 400 jaar leven in de brouwerij te zien. Uit de titel mag worden opgemaakt dat Jan Steen (1626 – 1679) in Leiden is geboren. Net als Lucas van Leyden, Rembrandt van Rijn en Floris Verster.

Vooraf beloofde het museum ‘een verrassende blik op het dagelijks leven uit de 17de eeuw en de humor en menselijkheid die zijn schilderijen zo geliefd maken’. Ik moest ter plekke lang zoeken voordat ik begreep wat daarmee werd bedoeld.

Want de aandacht werd aanvankelijk vooral getrokken door de vormgeving van de tentoonstelling. De makers hebben gekozen voor veelvuldig gebruik van extreme vergrotingen van schilderijfragmenten op wanden en panelen, waardoor het lijkt alsof de originele schilderijen er minder toe doen.

Eenmaal daarvan bekomen, was ik verrast door de veelzijdigheid van Steen. Natuurlijk zijn in Leiden van zijn hand beroemde en populaire werken te zien met huiselijke taferelen. Steen beoefende ook heel verdienstelijk andere genres om aan de kost te komen, zoals het maken van bijbelse taferelen.

Dat Jan Steen een voortreffelijk schilder was, een echte verteller, hoeft niet te worden betwijfeld – anders zouden we het nu niet meer over hem hebben. Maar wat was Steen eigenlijk voor een schilder? Geen Frans Hals. Geen Rembrandt. En zeker geen Vermeer.

Steen was eerder een kunstenaar in de geest van Pieter Bruegel de Oude, een man die het alledaagse verbeeldde en waar mogelijk humor gebruikte om tussen de bedrijven door een waarschuwend vingertje op te steken. Pas op, je wordt bedrogen waar je bij staat. Leef, maar weet dat het elk moment voorbij kan zijn.

(Jan Steen was, denk ik nu, een zanger die niet zou misstaan op een Mega Piraten Festival of een Hollandse muziekavond. Hij zou er intens van genoten hebben, maar na afloop, op weg naar huis, ook bedroefd over voelen. Al die handjes, dat lijkt leuk, maar is dit alles?)

Heel goed aan Thuis bij Jan Steen is dat leerlingen van de openbare basisschool Lucas van Leyden zijn gevraagd commentaar te leveren op een aantal schilderijen. Zoals op het hierboven getoonde De piskijker:

‘Je kan wel zien dat dat geen dokter is. Hij laat zien alsof hij veel weet, maar hij zegt maar gewoon wat. Dat zie je een beetje aan zijn gezicht. En dat meisje denkt dan dat het echt waar is.

Ik ga best vaak naar de dokter, ik ben een beetje een pechvogel. In de klas hebben we het nu ook over ziek zijn. Over pijn, en over heel veel andere dingen.

Een groepje maakt altijd een poster bij het onderwerp. Als het over ziek zijn gaat, zou ik een klodder snot maken. Het ziet er misschien niet heel fijn uit, maar dan zet je daar een weetje in. En zo’n potje met plas kun je ook gebruiken bij een blaasontsteking.’

Als het mij was gevraagd, had ik beweerd dat het meisje gelukkig niet zwanger is.

De beleving van Drenthe: Drentse kunstenaars bezingen en bevragen hun provincie

Wat betekent Drenthe voor jou, en kun je dat zichtbaar maken? De vraag stellen is weer eens makkelijker dan haar beantwoorden.

Voor de tentoonstelling De beleving van Drenthe zijn de leden van het Drents Schildersgenootschap (DSG) uitgenodigd hun kijk op de provincie te verbeelden. In de DSG galerie in in Warenhuis Vanderveen in Assen is tot en met 5 september te zien waartoe dat heeft geleid.

Sinds de oprichting van het genootschap in 1954 hebben vele kunstenaars zich door de provincie laten inspireren, met name door het landschap. Als daar in zijn algemeenheid iets over te zeggen valt, dan is het dat Drenthe vaak is afgeschilderd als ongerept en rijk aan natuur, soms op het lieflijke af.

Toen de schilders van de Haagse School in de negentiende eeuw naar het ’Barbizon van het Noorden’ trokken, gebeurde dat in zekere zin ook al. Hoewel zij realisme nastreefden, drukten ze – wellicht ongewild – alsnog een romantisch stempel op Drenthe. Marketing Drenthe borduurt daar nog altijd op voort.

De beleving van Drenthe opent met twee schilderijen die een cliché bevestigen: Kampsheide van Annemarie de Groot en Wolken en water van Keimpe van der Kooi. Op beide werken is geen mens te zien, alsof het elementen zijn die een droombeeld verstoren. Zo kunnen schilders vrijuit een loflied zingen waar liefhebbers van Natuurmonumenten graag naar luisteren.

De liefde voor dergelijke schoonheid domineert. Daardoor springt in de DSG galerie de minder idyllische, want bezorgde kunst extra in het oog. Zoals twee aquarellen van Siemen Dijkstra van landschappen die door de mens zijn leeg geveegd en opnieuw ingericht: Col du VAM en Onttoverd landschap. Of de slogankunst waarmee graficus Albert Rademaker dit keer tegen de lelieteelt ageert.

Het meest uitgesproken is Arne Brink, een kunstenaar die zijn inspiratie haalt uit klimaatverandering, industrialisatie en de aantasting van biodiversiteit. Ook Brink spreekt zich uit over de lelieteelt, met een tekening waarop een ’gewasbeschermer’ zijn vernietigende werk doet. Evenmin mis te verstaan is Het maaiveld, een grote tekening die laat zien hoe een biotoop wordt opgeofferd voor voedselproductie.

’Grote onderwerpen vragen om een groots gebaar. Mijn taak is om u een fundament van denkrichting te geven, waar u op door kunt associëren’, schrijft Brink in een toelichting op zijn werk. Het biedt gelegenheid om een bitter gedicht van Lévi Weemoedt te citeren, getiteld De Drenten: ’O, het zal hun een zorg zijn/ of de wereld vergaat/ als om zes uur het eten/ maar op tafel staat’.’

Over kunst met textiel, Museum Arnhem, beeldvorming en de emancipatie van mannen

In de miniserie Bauhaus – Die Neue Zeit worden vrouwelijke studenten, ondanks het vooruitgangsstreven, onder politieke druk ‘gestimuleerd’ om zich te richten op textiele werkvormen. Die afdeling is uitstekend opgezet, betoogt directeur Walter Gropius. Het is een stap terug, oordeelt studente Dörte Helm.

Aan de serie van regisseur Lars Kraume moest ik denken toen ik onlangs in Museum Arnhem de tentoonstelling Draadkracht – Handwerk als statement bezocht, een expositie die met oud en nieuw werk laat zien hoe handwerk verhalen over identiteit, emancipatie en duurzaamheid kan vertellen.

Als bezoeker van tentoonstellingen kom ik de laatste jaren opvallend veel kunst tegen die met textiel wordt gemaakt. Dat kan aan mij liggen; wellicht heb ik er oog voor ontwikkeld. Maar het kan ook zijn dat het materiaal is herontdekt, vooral door makers die als tegenwicht voor de versnelling kiezen voor de vertraging van het handwerk.

Draadkracht – Handwerk als statement geeft een prachtig beeld van wat vroeger en nu met naald en draad aan kunst wordt gemaakt. Dat dit in Arnhem te zien is, is mede te danken aan de tijd dat Liesbeth Brandt Corstius (1940 – 2022) het museum aan de Rijn leidde. Zij had altijd oog voor kunst gemaakt door vrouwen. Naast textiel, sculpturen en schilderkunst ging het daarbij ook om sieraden.

Afgaand op de namen van de kunstenaars van wie nu werk in Arnhem te zien is, blijft werken met textiel grotendeels een vrouwenzaak. Het kan zijn dat ik iemand over het hoofd heb gezien; tijdens mijn bezoek kwam ik slechts twee mannen tegen. Een vader die zijn dochtertje aan het werk zette en een man die voortdurend op zijn telefoon keek.

Zelf keek ik geamuseerd naar de werken van een kunstenaar met de naam Theodorus Johannes. Volgens het begeleidende tekstbordje borduurt de kunstenaar scènes van alledaagse momenten op oud Nederlands linnen: dingen die mensen op straat tegen hen zeggen, soms vriendelijk, soms afwijzend. “De werken tonen hoe kleding en uiterlijk een krachtige vorm van zelfexpressie zijn, en hoe handwerk dat nog verder kan versterken.”

Bij de tentoonstelling ‘Kleine wereld, brede horizon’ met foto’s van Harry Cock

Vele malen heb ik hier geschreven over de oude dierentuin van Emmen, inmiddels beter bekend als het Rensenpark. En vele malen zat in die berichten een teleurstelling verborgen over het niet‑nakomen van beloften, over gemiste kansen, over gepruts en geknoei, over besluitenloosheid.

Kortom, over de dynamiek die Emmen typeert en waarover het geen enkele zin heeft je druk te maken, omdat het toch niet verandert.

En toch gebeuren er in dat Rensenpark soms ook aardige dingen. Zoals de jaarlijkse fototentoonstelling van stichting Pentafoor in het deel van her park waar vroeger elanden liepen.

De eerste Pentafoor-tentoonstelling was overigens niet in het park, maar boven het Marktplein; ik herinner mij tekeningen van Siegfried Woldhek. Vorig jaar was in het park werk te zien van Saskia Boelsums. Voor volgend jaar wil ik pleiten voor Sake Elzinga.

Dit jaar zijn foto’s van Harry Cock te zien onder de noemer Kleine wereld, brede horizon – een aanduiding die veel zegt over het werkgebied van Cock: Noord‑Nederland, inclusief Zuidoost-Drenthe.

Ik citeer een zin uit een tentoonstellingstekst: ‘Het fotografenoog maakt het onaanzienlijke ontroerend.’

Woordenboeken tellen vele omschrijvingen en synoniemen voor ‘het onaanzienlijke’: klein, gering, miniem of onbeduidend, niet opvallend, bescheiden, van lage afkomst, onbelangrijk, onbetekenend, nietig, gering. Niets daarvan is van toepassing op de foto’s van Harry Cock.

Het woord ontroerend daarentegen wel.

Gevonden: een ontbrekende prent op ‘Beauty of the Beast’ in DM De Buitenplaats

Eindelijk kwam ik ertoe om de tentoonstelling Beauty of the Beast te bezoeken in Drents Museum De Buitenplaats te Eelde. Daar is te zien hoe rond 1900 dieren als inspiratiebron dienden voor de makers van de ‘nieuwe kunst’.

Ik bezocht de tentoonstelling in gezelschap van collega Miranda ten Wolde. Ter gelegenheid van de DVHN Zomertour vervoerde ze mij even later voor dit verhaal per Citroën 2CV, in de volksmond een ‘Eend’, naar het Internationaal Klompenmuseum, ook in Eelde.

Misschien wel omdat het haar eerste bezoek was aan DM De Buitenplaats, was Ten Wolde extra scherp. Ze ontdekte een ontbrekend werk in de afdeling Volière: een kleurenlithografie van het kalenderblad van maart uit de Vogelkalender voor 1905 van Theo van Hoytema.

Navraag bij de balie leerde dat de samenstellers van Beauty of the Beast wel alle andere maanden in het depot hadden gevonden, maar niet die van maart. Hoe ze ook keken en zochten, het blad kwam niet boven water in de 90.000 objecten tellende collectie. Een museumedewerker vertelde het met enige schroom.

Verderop in de tentoonstelling hangt een aantal reproducties. Meestal vind ik dat een teken van armoede voor een serieus museum, maar soms kan ik het begrijpen, zeker als het om zeer kwetsbare werken gaat die wel deel uitmaken van het te vertellen verhaal, maar niet getoond kunnen worden.

Juist vanwege die reproducties bevreemdt het mij dat geen moeite is gedaan om het ontbrekende kalenderblad alsnog toe te voegen. Heel moeilijk is dat niet. Wie een beetje thuis is op de website van het Rijksmuseum in Amsterdam, weet ’m te vinden: Kalenderblad maart met twee hanen van prentmaker Theo van Hoytema (1863–1917).

Beauty of the Beast is voor het overige een prima tentoonstelling. Niet heel groot, maar in combinatie met de tuin bij het museum en een bezoek aan het Nijsinghuis een leuke uitstap. Niet in de laatste plaats vanwege het olieverfschilderij Kreeft van de door mij bewonderde ‘visschenschilder’ Gerrit Willem Dijsselhof (1866–1924).

« Oudere berichten

© 2026 Woest & Ledig

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑